Wetenschap en rekenschap - pagina 518
Een eeuw wetenschapsbeoefening en wetenschapsbeschouwing aan de Vrije Universiteit 1880-1980
C. S A N D E R S / L . K. A. EISENGA
daarom zeggen dat de Amerikaanse cognitieve psychologie belangrijke impulsen
gegeven heeft aan de psychologie-beoefening aan de V.U.
Het punt van de methodische onderzoeksregels vereist meer aandacht. Gezegd
kan worden dat de nieuwe ontwikkelingen op het terrein van de fundamentele
methodologie bij veel V.U.-psychologen een goede voedingsbodem vonden.
Daarvoor vallen naast de reeds vermelde algemene behoefte aan verdieping en
verheldering verschillende specifieke redenen te noemen. In de eerste plaats moet
erop gewezen worden dat voor een aantal, vooral oudere, V.U.-psychologen de
„objectiviteits-ideologie" zoals die in de methodische regels tot uitdrukking kwam,
geen optiek vormde waar zij vanuit hun universitaire vorming vertrouwd mee
waren. Onder hen zijn er die, ofschoon zij allengs overtuigd raakten van waarde en
noodzaak van exact, methodisch verantwoord onderzoek, nimmer geheel los ge-
raakt zijn van de traditie waaruit zij stamden. Liberalisatie en relativering van de
draagwijdte en waarde van de door hen „aangeleerde" methode van psycholo-
giebeoefening begroetten zij met instemming. Vooral omdat die voortkwam uit
een hernieuwde belangstelling voor de menselijke subjectiviteit die ook in het
denken waarin zij wetenschappelijk waren grootgebracht, centraal stond.
Een tweede punt wordt gevormd door de praktijk van het onderzoek. De beoefe-
ning van de psychologie is in Nederland en derhalve ook aan de V.U. sterk
gecompartimentaliseerd. De internationale tendentie tot vorming van weionder-
scheiden psychologische vakgebieden werd in Nederland gesanctioneerd en be-
vorderd door de invoering van het vakgroepensysteem aan de universiteiten. Er
ontstonden daardoor aan de subfaculteit een aantal autonome werkeenheden
waarin zich eigen onderzoekstradities gingen ontwikkelen. Het bleek daarbij dat
dit proces niet in elke vakgroep even gemakkelijk verliep. De reden daarvoor is
enerzijds dat in sommige vakgroepen — V.U.-traditie getrouw (zie ook 4) — naast
het geven van onderwijs ook activiteiten ontplooid werden op maatschappelijk
vlak zoals advisering en hulpverlening, waardoor de ontwikkehng van het onder-
zoek relatief minder aandacht kon krijgen. Anderzijds moet ook op een tweede
oorzaak gewezen worden. Het werd gaandeweg duidelijker dat er bij het weten-
schappelijk onderzoek grote verschillen bestaan tussen de vakgroepen wat betreft
doelstelling van het onderzoek en derhalve het soort verschijnselen dat bestudeerd
moet worden en daarmee annex het niveau van analyse waarop dat plaats dient te
vinden. Men denke b.v. aan het onderscheid tussen perceptie-onderzoek waarbij
de vraagstelling betrekking heeft op de rol van de retinale dispariteit, en onder-
zoek waarbij de sociale perceptie als determinant van het aanpassingsgedrag
opgevat wordt. De in het begin van de jaren zestig aangereikte anglo-amerikaanse
hypothetico-deductieve methodologie vond weliswaar in de vakgroepen ingang,
maar desondanks bleek het onderzoek niet gemakkelijk vorm te kunnen krijgen.
De genoemde methodologie was niet ontwikkeld voor de complexe problematiek
van de „veldgerichte" psychologische theorieën. Een aantal van de problemen
bleek op te lossen door een verdere uitbouw van de methodologie in technische
zin: de introductie van verfijnde statistische methoden, het ontwerpen van ade-
512
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 januari 1980
Publicaties VU-geschiedenis | 602 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 januari 1980
Publicaties VU-geschiedenis | 602 Pagina's