Wetenschap en rekenschap - pagina 342
Een eeuw wetenschapsbeoefening en wetenschapsbeschouwing aan de Vrije Universiteit 1880-1980
B. SIERTSEMA
tijdgenoot Ferdinand de Saussure voor de taal deed, onderscheid maakt tussen de
zaken zelf („momenten") en hun onderlinge „relaties", en het overwegend belang
van de laatste tegenover de eerste met nadruk stelt:
„Het moment wordt zintuigelijk waargenomen, de relatie door het denken. Beide hangen
zeer nauw samen, ja zoo overweldigend wordt bij de eenvoudigste tegenstelling dezer
beide . . . de indruk der relatie, dat men geneigd zou zijn de realiteit van de stof te
loochenen en enkel de relatie voor werkelijk bestaand aan te zien""*.
De Saussure zelf gaat slechts één stap verder als hij de kleinste taaisegmenten, de
fonemen, beschrijft als inderdaad niet meer dan „oppositieve, relatieve, en nega-
tieve eenheden", en komt tot de bekende typering van de taal („langue") als „een
(lege) vorm en niet een (klank-) substantie"^ — typering die later door L. Hjelmslev
in zijn „Glossematiek" tot zijn uiterste consequenties is doorgedacht en uitgewerkt
in zijn opvatting van taal als „een systeem van louter relaties"'.
Inderdaad: „Wie in de 19e eeuw zó schreef (als Kuyper, BS) heeft misschien voor
zijn eigen bewustzijn achteromgekeken, maar in werkelijkheid zag hij vooruit de
20ste in", schrijven de Romeins in het boven aangehaalde hoofdstuk. Zij schrijven
dit behalve t.a.v. het zojuist genoemde ook met name t.a.v. Kuypers onderstreping
van het subjectieve element dat in alle wetenschap aanwezig is; eveneens een punt
dat vele jaren later door de jonge geleerde H.J. Pos aan dezelfde Universiteit zou
worden beklemtoond o.a. in zijn oratie Algemeene Taalwetenschap en Subjectivi-
teit?
J. WOLTJER
In 1901 moet Kuyper zijn hoogleraarschap opgeven wegens zijn benoeming tot
minister-president. Maar daarmee kwam er geen einde aan de algemeen linguïs-
tische studies aan de Vrije Universiteit, integendeel, want naast Kuyper was al
twintig jaar zijn collega J. Woltjer werkzaam, die, zonder uitdrukkelijke opdracht*,
de algemene taalwetenschap voor zijn rekening had genomen en dat in veel
ruimere zin dan deze bij Kuyper aan bod kwam.
Woltjer was sinds 1881 aan de Vrije Universiteit verbonden als hoogleraar in de
(klassieke) filologie. Zijn in het Latijn gestelde inaugurele oratie Over de volmaakte
filoloog, die iedere bestudeerder der filologie zich voor ogen moet houden'^ toont reeds
de algemene belangstelling van deze taalgeleerde, evenals later zijn rectoraatsrede
over De wetenschap van den logos dat deed (1891).
J. Woltjer was een geleerde van naam; zijn dissertatie over Lucretius (1877) heeft
naar men zegt nog steeds waarde, en zijn Latijnsche grammatica (1883), geschre-
ven volgens toen nieuwe taalkundige inzichten waarin Woltjer zijn tijd vooruit
was, werd nog tot in 1924 herdrukt. Ook een Griekse grammatica heeft hij ge-
336
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 januari 1980
Publicaties VU-geschiedenis | 602 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 januari 1980
Publicaties VU-geschiedenis | 602 Pagina's