Wetenschap en rekenschap - pagina 380
Een eeuw wetenschapsbeoefening en wetenschapsbeschouwing aan de Vrije Universiteit 1880-1980
A TH VAN DEURSEN
had ingeschreven.^ Zo bleef het niet, doch meer dan een of twee studenten
kwamen er jaarlijks meestal niet bij. Tussen 1918 en 1945 hebben slechts vijftien
het doctoraal examen geschiedenis afgelegd.
Van Schelven
Van Schelven heeft daarvan het beste geprofiteerd. Zijn oeuvre wint het in om-
vang van dat van Goslinga, en het stelt ook belangrijker vragen aan de orde. Zijn
eerste publieke optreden was dadelijk overtuigend. Van Schelvens oratie, „Om-
vang en invloed der Zuid-Nederlandsche immigratie van het laatste kwart der
zestiende eeuw", heeft ruim een halve eeuw lang de meningen bepaald. Van
Schelven deed zijn titel dan ook volledig recht. Zijn schattingen van de omvang
bleven zich weliswaar bewegen binnen de schriftelijke overlevering, maar meer
liet zich in 1918 ook niet verwachten, en het blijft de vraag of modern onderzoek
met behulp van poortersboeken, huwelijksregisters en lidmatenlijsten bij de on-
volledigheid van dergelijk materiaal wel tot grotere zekerheden vermag te komen.
Op zijn best toonde Van Schelven zich in elk geval bij het meten van de invloed.
Anders dan men misschien van de theoloog had gevreesd, vatte Van Schelven het
probleem aan in de volle breedte. Niet alleen de kerk — opmerkelijk weinig zelfs —
maar heel het geestelijke en materiële leven in de totale omvang: handel en
industrie, taal en kunst, godsdienst en zedelijk leven. In de vakpers werd deze
proeve zeer gunstig ontvangen. Een „ zeer belangrijke rede", meende M.G. de
Boer in het Tijdschrift voor Geschiedenis.'*
Ze had programmatisch belang inzover als ze ruim plaats gaf aan het calvinisme.
In vrijwel al het werk van Van Schelven gaat het om de verschijningsvormen van
het calvinisme in de zestiende en zeventiende eeuw. Voor Van Schelven was dat
geen verplicht nummer, aan een leeropdracht bij de Vrije Universtiteit nu eenmaal
inherent. Het was een bewuste keus, reeds in zijn dissertatie gedaan. Van Schelven
beschouwde het calvinisme als de belangrijkste geestelijke kracht van de zestiende
eeuw, belangrijk in dubbele zin. Allereerst historisch, want men kan de zestiende
eeuw niet begrijpen zonder het calvinisme te kennen. Maar calvinisme was bo-
vendien de zuiverste uitdrukking van christelijk geloven, omdat daar „het ideaal
van den apostolischen tijd, met normatieve kracht in het Nieuwe Testament
geteekend, dichter benaderd was, dan een der andere Reformatorische bewegin-
gen — hoeveel goeds die anderen ook hebben gehad — het heeft kunnen doen".^
Daarom wil Van Schelven de werkingen van deze kracht naspeuren in alle uitin-
gen van het politieke en culturele leven. In zijn proefschrift ging het nog in de
eerste plaats om de calvinistische kerken. Later verdwenen die uit het middelpunt.
Van Schelvens hoofdwerk, „Het calvinisme gedurende zijn bloeitijd", liet kerk en
theologie bewust buiten beschouwing.
In de opbouw vertoont het echter wel overeenkomsten met de dissertatie. Daar
had hij gekozen voor wat hij noemde de historisch-genetische methode. Elke
374
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 januari 1980
Publicaties VU-geschiedenis | 602 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 januari 1980
Publicaties VU-geschiedenis | 602 Pagina's