Wetenschap en rekenschap - pagina 470
Een eeuw wetenschapsbeoefening en wetenschapsbeschouwing aan de Vrije Universiteit 1880-1980
G. KUIPER HZN
verschijnsel macht.
Samenvattend kan men nog zeggen dat de jaren 1950-1965, die ik hiervoor reeds
als gezapig, maar ook als een periode van verdieping en verbreding van de
sociologie typeerde, ook het eerste gerommel lieten horen van op komst zijnde
maatschappijkritiek en een andere wijze van sociologiseren.
DE SOCIOLOGIE IN NEDERLAND TUSSEN 1950 EN 1965
Over deze jaren zijn eigenlijk geen bijzondere dingen te vertellen. Men beijverde
zich in de jaren na de oorlog weer in de pas te komen met de in de sociologie zo
geavanceerde Verenigde Staten. Dat deed men trouwens niet alleen hier, maar ook
b.v. in Duitsland waar de ontwikkeling sinds 1933 volledig had stilgestaan. Toch is
ook daarin weer de eigen aard van de Nederlandse sociologiebeoefening te be-
speuren. Zoals alles in dit opstel nogal schematiserend en apodictisch geschreven
moet worden, zo moet ook op dit punt gezegd worden dat in deze periode men zich
bij ons onder de vleugels van Merton meer thuis voelde dan onder b.v. die van
Parsons of het symbolisch interactionisme (dat bij de psychologen meer aandacht
trok dan bij sociologen). In zijn herziene editie van 1957 van „Social theory and
social structure" werd Merton in Nederland algemeen bekend. Het is niet syste-
matisch getoetst, maar Parsons is in Nederland pas enigermate bekend geworden
met zijn „The Social System" van 1951 na (en door!) het verschijnen van Dahren-
dorfs boek in 1957. Zijn hoog abstractieniveau paste volstrekt niet bij de anti-fi-
losofische traditie van de Amsterdamse school, evenmin als het psychologiserende
symbolisch interactionisme. Tot op de huidige dag is Parsons niet populair ge-
worden onder de Nederlandse sociologen en dat gold a fortiori voor de sterk
filosoferende Frankfurter Schule van voor de oorlog. In geen enkele publicatie van
de Nederlandse gezinssociologen van de jaren 1950-1965 (b.v. R. Eysink, G.A.
Kooy, C D . Saai) vindt men zelfs maar een verwijzing naar M. Horkheimers
Autoritat und Familie (1936). Nee, men voelde zich hier te lande kennelijk het
gelukkigst bij empirisch onderzoek en theorieën van middelbaar abstractieviveau.
Maar op die terreinen is dan ook goed werk verricht: demografisch terrein (Hof-
stee, Van Heek, Heere, het NIDI), stratificatie en mobihteit (Leidse school)^',
kerkelijkheid en onkerkelijkheid, bedrijfssociologie (arbeidsvreugde, beroeps-
groepen), jeugd- en gezinssociologie etc.
Vermeldenswaard is in dit verband nog de verandering van het Academisch
Statuut. Waren het aan het eind van de jaren veertig Verenigde Faculteiten van
letteren, rechten en economie (of een andere combinatie) waarin de opleidingen
plaatsvonden van sociologen, politicologen, niet-westerse sociologen en cultureel
antropologen, in het begin van de jaren zestig kwam er bij amendement-Ver-
mooten een Faculteit der Sociale Wetenschappen, met daarin subfaculteiten voor
464
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 januari 1980
Publicaties VU-geschiedenis | 602 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 januari 1980
Publicaties VU-geschiedenis | 602 Pagina's