Wetenschap en rekenschap - pagina 79
Een eeuw wetenschapsbeoefening en wetenschapsbeschouwing aan de Vrije Universiteit 1880-1980
H O N D E R D JAAR T H E O L O G I E AAN DE VRIJE UNIVERSITEIT
hier een korte aanduiding van datgene, wat Hepp voor ogen stond. Naast het door
Calvijn ontvouwde bijzondere testimonium Spiritus Sancti, dat zekerheid schenkt
aangaande de heilswaarheden, onderscheidt Hepp het testimonium generale, het
algemene getuigenis van de Geest, dat de basis is van het speciale getuigenis, maar
ook een eigen waarde bezit, n.1. als de laatste zekerheidsgrond van onze kennis van
de centrale natuurlijke waarheden, die zich groeperen rondom God, mens en
kosmos. Nader onderscheidde Hepp tussen het testimonium generale externum,
dat openbaart en het testimonium generale internum, dat verzekert. De Geest, die
de waarheid getuigt, overtuigt de mens ook van die waarheid.'^ Hepp betoogt,
dat de noodzakelijkheid van dit algemene getuigenis uit theologisch oogpunt vast-
staat. Want: „Herschepping is reparatio. Daarbij is ieder der drie personen her-
steller van Zijn eigen werk. Zoo is de Zoon Verlossingsmiddelaar, wijl hij ook
Scheppingsmiddelaar is. Hetzelfde moet ook beleden van den Geest. Elk heils-
werk van den Geest heeft een scheppingswerk tot ondergrond. Er is geen enkele
reden, waarom het testimonium speciale daarop een uitzondering zou maken.
Ook dat dient de reparatio te zijn van een testimonium op natuurlijk gebied.'"-'
Deze enkele indicatie is voldoende, om te laten zien, dat Hepp zich al vroeg een
scholastiek getinte redeneertrant had eigen gemaakt, waarmee hij het gedachten-
goed van Kuyper en Bavinck — vergelijk de relatie van het algemene en bijzondere
— wilde uitbouwen tot een sluitend systeem. Het verbaast ons niet, dat hij later ook
het speciale getuigenis van de Geest gaat uiteenleggen in het bijzonder uitwendig
Geestesgetuigenis — de Schrift — en het bijzondere inwendige Geestesgetuigenis —
de op de Schrift corresponderende actie van de Geest in het hart der gelovigen,
waardoor hij hen subjectief van de objectieve, in de Schrift betuigde, waarheid
overtuigt.'''
Men zou Hepp onrecht doen, wanneer men hem uitsluitend als een dorre sche-
maticus zou beschouwen. Hij was een bekwaam penvoerder, die boeiend schrijven
kon. Dat bewijzen zijn uit 1921 stammende goed-gedocumenteerde biografie van
Bavinck en zijn reeds geciteerde levensbeschrijving van Geesink, voorts ook zijn
studie over de waarde van het dogma'' en zijn inaugurele rede over gereformeerde
apologetiek.'*
In deze rede, die behalve van zijn oratorisch vermogen ook van zijn brede eruditie
getuigenis aflegt, spreekt Hepp in hooggestemde bewoordingen over de dogma-
tiek, waarop de apologetiek gebaseerd is. In de voor het neo-calvinisme zo ken-
merkende militaire, krijgshaftige beeldspraak zegt hij van de dogmatiek: „Die
heeft recht op onze beste krachten. Die moet ons den weg wijzen. Die moet gedurig
een nieuw offensief openen.Want thetisch werkzaam zijn, houdt tegelijk ook
aanvallen in. Ontwikkeling van de leer der waarheid kan niet verkregen dan door
terreinverovering op de leugen. In de generaalstent van de dogmatiek wordt het
veldplan ontworpen. Daar ontvangt ook de apologetiek haar opdracht."'^ In dit
verband sprak Hepp nadrukkelijk uit, dat hij niet bij Kuyper en Bavinck wilde
blijven staan en waarschuwde hij voor de scholastiek, die altijd stilstand inluidt.
Met de inzet van zijn omvangrijke kennis en onbetwistbare scherpzinnigheid
75
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 januari 1980
Publicaties VU-geschiedenis | 602 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 januari 1980
Publicaties VU-geschiedenis | 602 Pagina's