Wetenschap en rekenschap - pagina 201
Een eeuw wetenschapsbeoefening en wetenschapsbeschouwing aan de Vrije Universiteit 1880-1980
FACULTEIT DER G E N E E S K U N D E
Wanneer Van der Meer een aantal jaren later^^ weer over de geneeskunde in
ontmoeting met de dood spreekt, zegt hij, dat ,,de arts zich bij de stervensbegelei-
j ding zal moeten richten naar de instelling die de patiënt heeft, dus naar zijn
levensbeschouwing, naar zijn geestelijke instelling." De begeleiding van de ster-
vende vraagt van de behandelende arts om als mens naast een mens te gaan staan.
Is er, wanneer dit werkelijk gebeurt, nog wel verschil tussen de christen-arts en de
niet-christen-arts? Ook aan niet-christelijke medische faculteiten worden ongene-
selijk zieken en stervenden zo goed mogelijk begeleid en wordt in het onderwijs
aan medische studenten over stervensbegeleiding gesproken. Tot zo'n groep stu-
denten zegt een kankerpatiënte: „Stervensbegeleiding bestaat niet, wel levensbe-
geleiding." De Rotterdamse hoogleraar De Vries^' schrijft hierbij aansluitend dat
wanneer het gaat om de vraag naar zinvol leven, veel te leren valt van stervenden
en mensen met levensbedreigende ziekten; van mensen die „oog in oog" met de
dood stonden. Sommigen van hen vonden nieuwe zin en betekenis in hun leven.
„De weg die zij gingen, was: niet de pijn, de wanhoop en de machteloosheid uit de
weg gaan, maar er doorheen gaan en vervolgens los te laten. Loslaten van wie ik
dacht, dat ik ben; van hoe ik dacht, dat de wereld is en van wat ik dacht, dat
belangrijk en essentieel is. Dit proces van doorleven en loslaten, dat door hen
wordt ervaren als een wedergeboorte tijdens het leven, is wat stervenden ons
kunnen leren", aldus De Vries.
Is met dit proces niet, zij het met andere woorden, hetzelfde bedoeld als: wie zijn
leven verliezen zal, die zal het vernieuwen?
„Door haar eenzijdige oriëntatie op de dood werd de geneeskunde blind voor het
leven", zegt Metz^* wanneer hij het ambt van buitengewoon lector in de medische
vakfilosofie en medische ethiek aanvaardt. „Een geneeskunde van het leven moet
opnieuw leren zien." Hij gaat op zeer kritische wijze in op de doelstellingen van de
geneeskunde en op de doelstellingen van de Vrije Universiteit. Ook bij Metz gaat
het in de geneeskunde om de „eenheid, beter gezegd de heelheid van het
mens-zijn." Maar om die heelheid en de betekenis daarvan werkelijk te zien, om
het menselijk lichaam opnieuw te bekleden met alle kwaliteiten en mysteriën, die
de wetenschap het ontnam, moet de wetenschapper oog krijgen voor een andere
dan de natuurwetenschappelijke werkelijkheid en terugkeren tot de ervarings-
werkelijkheid. Daartoe moet zich in en aan de wetenschapper wel een radicale
verandering voltrekken. Het gaat om de mens, zoals wij hem en hij ons in de
• ervaringswereld als man of vrouw, als kind of ouder, als medemens ontmoeten. De
I geneeskunde moet de authenticiteit van het menselijk leven, van de mens als
I schepping, opnieuw herkennen. „De openbaring van de werkelijkheid van de
schepping zal het eerst zichtbaar zijn aan de zijnsverandering van de mens tot
„levende ziel." Aanvankelijk zal die „levende ziel" zich het duidelijkst onthullen
bij gebroken mensen, bij zieken, bij lijdenden en stervenden bij wie, alle erva-
ringsevidentie ten spijt, het vernederde lichaam opstaat tot een verheerlijkt li-
chaam. Op de arts rust de plicht dit goddelijk geheim van het menselijk lichaam te
herkennen en te eerbiedigen."
197
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 januari 1980
Publicaties VU-geschiedenis | 602 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 januari 1980
Publicaties VU-geschiedenis | 602 Pagina's