Wetenschap en rekenschap - pagina 398
Een eeuw wetenschapsbeoefening en wetenschapsbeschouwing aan de Vrije Universiteit 1880-1980
A. TH. VAN DEURSEN
letteren. De eerste archeologen waren classici, en ze vonden dat het ook zo hoorde.
J.H. Holwerda heeft in zijn Leidse openbare les van 1910 uitgelegd waarom: ook
hij die in de Nederlandse bodem wil gaan graven, moet van de klassieke archeo-
logie geleerd hebben te werken tegen een achtergrond van spaarzame historische
gegevens. Zo verwerft hij de scholing die hem in staat zal stellen ook door te
dringen in een verleden, dat geen enkele schriftelijke bron kent.'" Tot op heden
hebben inderdaad classici de spade in de Nederlandse grond gezet. Maar ze zijn
gewend geraakt aan het gezelschap van biologen en geologen, en ze weten eikaars
gaven op prijs te stellen. Voorbeeld voor allen is de bioloog A.E. van Giffen
geweest, die in 1922 helder uiteengezet heeft, wat elke deelwetenschap tot het grote
geheel kon bijdragen. Hoe hoger de cultuur, en hoe belangrijker dus de steun uit
geschreven bronnen, hoe eerder de klassiek en filologisch geschoolde onderzoeker
de leiding kan nemen. Maar gaat het om een arme beschaving, die slechts scha-
mele overblijfselen heeft nagelaten, dan valt de nadruk op de begeleidende ver-
schijnselen, en op het gehele milieu waarin de restanten zijn aangetroffen. Dat nu
is het geval met de Nederlandse prehistorie. Die tijd heeft een eigen flora en
fauna, en verschilt zelfs geologisch van de onze. Dan komt de eerste plaats toe aan
de natuurwetenschappen." Van Giffens betekenis voor de Nederlandse prehis-
torie en archeologie is zeker zo groot geweest als die van Fruin voor de geschied-
wetenschappen. En zoals Fruins Leidse discipelen het universitair-historische
leven beheerst hebben, zo domineren thans Van Giffens Groninger leerlingen in
de prehistorie en Germaanse archeologie.
Aan de Vrije Universiteit heeft men deze ontwikkelingen lange tijd slechts uit de
verte gevolgd. De archeologie kreeg pas in 1956 een eigen representant met de
benoeming van H. Brunsting tot buitengewoon hoogleraar. Hij bleef zijn hoofd-
functie uitoefenen bij het Rijksmuseum van Oudheden te Leiden, en nam ook
alleen in die hoedanigheid aan opgravingen deel.'* Meer kon de Vrije Universiteit
zich toen niet veroorloven. Archeologie is weinig gebaat met enkel een katheder.
Ze heeft eigen verzamelingen nodig, en een opgravingsbudget, en technisch per-
soneel. Ze is dus zeker binnen een letterenfaculteit een dure wetenschap. Zolang
de Vrije Universiteit nog niet voor honderd procent subsidie ontving, zou een
kostbare studierichting die nooit op massale toeloop zou kunnen rekenen, voor
haar eenvoudig onbetaalbaar blijven. Zo gezien was het extraordinariaat van
Brunsting een uitstekende vondst: de belangstellende student bleef dan van het
vak tenminste niet geheel verstoken. Meer dan een noodvoorziening was het
natuurlijk niet. Brunstings leeropdracht omspande een terrein dat genoeg werk
bood aan twee ordinarii. Des te meer respect verdient het, dat tijdens zijn ambts-
periode het belang van deze vakken duidelijk genoeg is geworden om hem door
twee hoogleraren te doen opvolgen: W.A. van Es voor de pre- en protohistorie, en
J.S. Boersma voor de klassieke archeologie, die beide — men zegt het voor een
archeoloog haast ten overvloede — in Groningen zijn opgeleid. Met een stafbe-
zetting van tien koppen is een bescheiden ontplooiing van eigen onderzoek mo-
gelijk geworden.
392
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 januari 1980
Publicaties VU-geschiedenis | 602 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 januari 1980
Publicaties VU-geschiedenis | 602 Pagina's