Wetenschap en rekenschap - pagina 248
Een eeuw wetenschapsbeoefening en wetenschapsbeschouwing aan de Vrije Universiteit 1880-1980
C C JONKER
herkend worden? Binnen deze kring kwamen namelijk nogal verschillende op-
vattingen over de genoemde problemen voor.
Er was allereerst een groep, die aan de letterlijke tekst van de betreffende bijbel-
gedeelten wilde vasthouden. Elke wat ruimere opvatting of interpretatie van de
tekst tastte immers het gezag van de Bijbel aan en zou ook gevolgen hebben voor
de historiciteit van de heilsgeschiedenis in het nieuwe testament. Aansluiting bij
deze zienswijze over de bijbelse openbaring zou betekenen dat in een strakke
frontvorming de overgeleverde waarheden tegenover de neutrale wetenschap
verdedigd zou moeten worden. De nog op te bouwen eigen wetenschap zou de
fouten in de neutrale of ongelovige wetenschap moeten aantonen en het adagium
uit de archeologie: „de Bijbel heeft toch gelijk" bevestigen.
Ten tweede was er een vrij grote groep met een concordistische opvatting, die de
bijbeltekst zoveel mogelijk in overeenstemming trachtte te brengen met het na-
tuurwetenschappelijk wereldbeeld. De natuur en de bijbel zijn immers beide
ontstaan door de uitdrukkelijke wil van de Schepper. Zij kunnen dus geen onder-
ling strijdige gegevens opleveren. De scheppingsdagen uit Genesis 1 worden
opgevat als tijdperken van grote lengte, zodat er ruimte komt voor de lange
geologische tijdperken en de grote ouderdom der aarde. Een overeenkomstige
aanpassing voor het paradijsverhaal is echter minder eenvoudig.
In de derde plaats was er een meer gedifferentieerd standpunt dat vele beoefe-
naars van de natuurwetenschappen aansprak. Onder handhaving van de eigen
opvatting in zaken van de christelijke levens- en wereldbeschouwing wilden zij de
verbinding met de wetenschappelijke wereld niet verbreken. De methoden van de
natuurwetenschappen berusten op de orde en de wetmatigheden in de natuur en
de resultaten die ermee verkregen worden verschillen niet voor gelovigen en
niet-gelovigen. De interpretatie van de theorieën, gebouwd op de experimentele
gegevens, kan echter nog wel verschillen, vooral als hierbij vragen over de waarde
van de verkregen kennis optreden. De verschillen met de „neutrale" wetenschap
komen tot uiting in de kritiek op de gangbare natuur-filosofische stromingen.
Deze zienswijze is verwant met de opvattingen van H. Bavinck", die de geologi-
sche problemen echter op concordistische wijze probeerde op te lossen. Hij ge-
bruikt, in tegenstelling tot J. Woltjer, expliciet de uitdrukking „Christelijke we-
tenschap" voor de aanduiding van zijn standpunt.'*
De vier hoogleraren van de nieuwe faculteit behoorden tot de laatst genoemde
groep. Zij waren gerecruteerd uit de studenten van orthodoxen huize, die aan de
rijksuniversiteiten hadden gestudeerd. Hoe moeilijk en verwarrend de situatie
voor deze studenten omstreeks 1930 was, blijkt uit de beschrijving van G. Pu-
chinger.'"*
3.2. Het standpunt van de wis- en natuurkundige faculteit
In 1930 begint de toen nog als Wis- en Natuurkundig aangeduide faculteit haar
244
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 januari 1980
Publicaties VU-geschiedenis | 602 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 januari 1980
Publicaties VU-geschiedenis | 602 Pagina's