Wetenschap en rekenschap - pagina 493
Een eeuw wetenschapsbeoefening en wetenschapsbeschouwing aan de Vrije Universiteit 1880-1980
DE P S Y C H O L O G I E AAN DE VRIJE UNIVERSITEIT
chisch functioneren beheersten, dit geduld ontbrak bij veel psychologen na hem.
Naar hun mening betekende het feit dat de psychologie zich losgemaakt had van
de wijsbegeerte primair, dat zij zich niet langer in behoefde te laten met vraag-
stellingen die wellicht wel vanuit academisch gezichtspunt belangwekkend waren,
maar weinig van doen hadden met het concrete alledaagse leven. Chorus drukte
deze overtuiging later beeldend uit door te stellen dat de empirische werkelijkheid
waarmee de psychologie zich bezig moest houden niet gelegen was binnen de
muren van het laboratorium, maar daarbuiten: „Van buiten riep zij ons: de
blinden, de doven, de b.1.o.-leerlingen, de gewone kinderen op gewone school-
banken, de mijnwerker in zijn schacht en gangen: die leverden geen gecon-
strueerde, maar reële problemen op" (1960, p.79). Met andere woorden: de tijd
voor het fundamenteel psychologische onderzoek was voorbij en de psychologie
diende uit haar ivoren toren te komen om daadwerkelijk de handen uit de mou-
wen te steken.
Op zichzelf genomen was deze ontwikkeling wel begrijpelijk, zeker als men ziet dat
de schaarse psychologen mede ook door hun eigen enthousiasme in deze periode
geconfronteerd werden met concrete vraagstellingen over school en beroep en dat
het door Heymans bepleite fundamentele onderzoek nog maar weinig aankno-
pingspunten opgeleverd had om deze vragen te kunnen beantwoorden. Maar aan
de andere kant droeg deze situatie ook het grote gevaar in zich dat de psychologen,
zoals Révész het uitdrukte, zouden gaan beginnen zonder zich eerst te bezinnen op
het theoretisch kader (in de zin van Weltanschauung) van waaruit zij deze vraag-
stellingen op een vruchtbare manier zouden kunnen aanvatten. In concreto be-
doelde hij hiermee dat een wetenschappelijk inzicht in bijv. de psychologie van de
mens en zijn werk pas dan tot stand kon komen als men zich eerst rekenschap
gegeven had van het wezenlijke van de menselijke arbeid. Het welhaast kris-kras
verzamelen van empirische gegevens op dit gebied zoals hij dat signaleerde had
naar zijn mening weinig of geen zin zolang er geen kader was van waaruit
beoordeeld kon worden welke gegevens relevant waren, of waarin de beschikbare
gegevens een systematische plaats konden krijgen. Vandaar dat hij tegenover de
gangbare „practische" psychologie zijn conceptie van de psychologie als een
„theoretische" wetenschap plaatste, d.w.z. een psychologie die vanuit een door-
denking van „de grondslag van het menschelijk zijn" gericht onderzoek zou doen
dat kon leiden tot een scherper inzicht in het menselijk psychisch functioneren,
(vgl. Révész, 1946).
Met dit pleidooi voor een „theoretische" psychologie bevond Révész zich in wezen
op een golflengte die vergelijkbaar was met de inzichten die aan de V.U. ten
aanzien van de psychologie leefden. Want ook al werkten zij vanuit een heel ander
geestelijk klimaat, wat Révész met Herman Bavinck, de pionier van de psycholo-
gie aan de V.U., de filosoof VoUenhoven die jarenlang belast was met het onder-
wijs in de theoretische psychologie, en Jan Waterink gemeen had was de overtui-
ging dat een empirische psychologie het nooit kon stellen zonder een welom-
schreven visie op het wezenlijke van de mens. Met name bij Bavinck treft men dit
487
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 januari 1980
Publicaties VU-geschiedenis | 602 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 januari 1980
Publicaties VU-geschiedenis | 602 Pagina's