Wetenschap en rekenschap - pagina 38
Een eeuw wetenschapsbeoefening en wetenschapsbeschouwing aan de Vrije Universiteit 1880-1980
W J WIERINGA
afstand tot de negentien stellingen van het einde der vorige eeuw en de daarop
gebaseerde beschouwingswijze was veel groter geworden. Unaniem was de op-
vatting, dat in de nieuwe context van de tijd met de oude grondslag en de
interpretatie ervan niet meer gewerkt kon worden. De oude pretentie, dat op basis
der calvinistische beginselen een geheel eigen christelijke wetenschap kon worden
opgebouwd werd als een onmogelijkheid gezien, maar ook niet als een noodza-
kelijkheid. In zijn diepgravend referaat drukte Van der Hoeven dit in deze woor-
den uit: Het scheppingsgeloof betekent de hartelijke aanvaarding van een over-
machtige, uniek-heilzame en hoogst veelzijdige stuwkracht die allen omvat en
aandrijft. Dat wil zeggen: christenen hoeven niet „eigenlijk" alles óver te doen, te
herscheppen wat niet-christenen doen; en dus is het ook niet nodig, dat ze,
wanneer ze de onmogelijkheid daarvan ervaren, zich ipse facto gehinderd voelen.
Maar het houdt ook in, dat de „schepping" meer en anders is dan een heel vroeger
„neergelaten" algemeen gebied, dat wij nu vervolgens met z'n allen om het hardst
zouden kunnen gaan exploiteren. Dóór en in de alomvattende stuwkracht zelf
wordt ons de vraag opgedrongen, waarheen het allemaal gaat en behoort te gaan.
En deze vraag kan niet bijkomstig zijn. Het antwoord op deze vraag kan, zeker na
de evangelische bevrijding, niet liggen in een grondslag, die zou functioneren als
een nieuwe „wet", als een soort garantie of zelfs als een (min of meer) morele
„inspiratie". Zo'n grondslag kan in feite slechts bedoeld zijn en ervaren worden als
een normatief appèl tot „bevrijdende" betrekking van alle wetenschappelijk werk
op de Waarheid die vrijmaakt. Mede daarom zou er aan de Vrije Universiteit altijd
aandacht moeten zijn voor de grondvragen."
Een verduidelijking van zijn zienswijze inzake de betrekking tussen christelijk
denken en wetenschapsbeoefening gaf Van der Hoeven in zijn publicatie „Peilin-
gen. Korte exploratie in wijsgerig stroomgebied" (1980). Handelend over de
nieuwe filosofie betoogt hij, dat deze „onze belangrijkste erfenis" is. En onder
„onze" is hij ook geneigd de christenen te rekenen. Het is christenen niet mogelijk
en zelfs niet toegestaan zich aan deze ergenis te onttrekken, ook niet door in een
(schijnbaar) isolement proberen te leven, of nog meer imponerende bouwsels te
ontwerpen. Hij acht het schriftuurlijk te zeggen, dat christenen deze erfenis heb-
ben te aanvaarden door daarin ,,een geaccentueerde roeping" van anderen te
erkennen en door zelf, terwille van de erfenis hun kracht te zoeken ,,in het
aanroepen van de Naam, telkens wanneer het imponerende van de erfenis ont-
aardt tot het gewelddadige". „Dat houdt in een „kritische receptie van de erfenis
en, zo nodig, „re-formatie" van het overgedragene."
Deze aanhalingen van Van der Hoeven hebben hier een plaats gekregen, omdat
daaruit een visie op de relatie tussen christelijk denken en wetenschap, c.q. filo-
sofie naar voren komt, die mijns inziens sterk verschilt van de wijze, waarop
aanvankelijk binnen de Vrije Universiteit deze relatie werd gelegd, ook door de
wijsbegeerte der wetsidee. Zij opende de weg naar een bevrijding van de kramp-
achtigheid, die toch wel kenmerkend was voor de wijze van zoeken naar de
christelijke wetenschap in de eerste fase van het bestaan der Vrije Universiteit.
34
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 januari 1980
Publicaties VU-geschiedenis | 602 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 januari 1980
Publicaties VU-geschiedenis | 602 Pagina's