Wetenschap en rekenschap - pagina 504
Een eeuw wetenschapsbeoefening en wetenschapsbeschouwing aan de Vrije Universiteit 1880-1980
C . S A N D E R S / L . K. A EISENGA
feit achterafin mijn theorie te passen, zal met een beetje soepelheid van geest altijd
wel gelukken. Maar eerst echt getoetst wordt een theorie door haar te laten
afhangen van een predictie naar een waarnemingsfeit, dat mij nog niet bekend is
op het moment dat ik de voorspelling uitspreek (en waardoor het dus ook pas een
„voorspelling" wordt)" (1965, 1966).
Betekende dit alles nu dat de rol van levensbeschouwelijke momenten in de
psychologie uitgespeeld was? Immers, ook al wordt toegegeven dat zij een functie
hebben in de voor-wetenschappelijke of hypothese-vormende fase van de psy-
chologie, als daarna gesteld wordt dat aldus opgestelde hypothesen getoetst dienen
te worden tegen objectieve, voor iedereen waarneembare en aanvaardbare data,
dan heeft het er veel van weg dat zij in een wetenschappelijke psychologie hoog-
stens een marginale rol kunnen spelen.
Voorzover het nu de door Waterink bepleite christelijke psychologie betreft luidt
het antwoord op bovenstaande vraag bevestigend: dit ideaal werd in de jaren
zestig door iedereen opgegeven, ook door Wijngaarden. Want ook al achtte deze
een scheiding van geloof en psychologie onaanvaardbaar, dit betekende niet dat
hij de door Fokkema en Drenth voorgestane methodologische criteria binnen het
wetenschappelijk bedrijf als overbodig afwees. Integendeel, ook hij was er zich
scherp van bewust dat daarbinnen subjectieve evidentie-gevoelens geen rol
mochten spelen. Maar wat hij aan de andere kant niet wenste te accepteren was de
door hen aangehangen stelling dat „de objectiviteits-gedachte, onverkort en
onafhankelijk van andere gezichtspunten, de enige richtlijn en de enige beoorde-
lingsgrond vormt" voor het wetenschappelijk gehalte van psychologische uitspra-
ken (de Groot, 1961, p. 372). Voor hem was het geloof een te diep ingrijpende
factor om zonder meer aan de kant geschoven te worden terwille van louter
methodologische eisen. Maar hoe deze beide zaken met elkaar in verband ge-
bracht moesten worden werd door hem niet duidelijk aangegeven.
Maar in wezen gold dit laatste voor meerdere personen. Want wat de binnen de
wetenschappelijke staf gevoerde discussies over de verhouding tussen geloof en
methodologie (zie o.a. Dirkzwager, 1962) kenmerkte was dat men geen duidelijke
weg zag waarlangs dit probleem aangevat zou kunnen worden zonder enerzijds
terug te vallen in het oude idee van een christelijke psychologie, anderzijds de pas
begonnen bezinning op de methodologische grondslagen van de psychologie in
gevaar te brengen. Een illustratie van deze spanning vormt Fokkema's opmerking
dat de psychologie een zodanige formulering voor haar object en methoden
diende te geven dat „1. de voorwetenschappelijke noties, die naar veler mening
van uitermate groot belang zijn voor de wetenschappelijke productiviteit, niet
afgesneden worden; 2. deze noties en levensbeschouwelijke elementen niet nood-
zakelijk voorwerp van discussie over wetenschappelijke resultaten behoeven te
zijn" (1960, p. 270). Wat hieruit spreekt — en dit gaf de sfeer waarin het probleem
gezien werd aardig weer — was enerzijds het besef dat levensbeschouwing en
wetenschappelijke psychologie verbanden bezaten, anderzijds ook een manke-
rend zicht op de vraag hoe dat verband lag.
498
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 januari 1980
Publicaties VU-geschiedenis | 602 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 januari 1980
Publicaties VU-geschiedenis | 602 Pagina's