Een vrije universiteitsbibliotheek - pagina 45
Studies over verleden, bezit en heden van de bibliotheek der Vrije Universiteit
van een voor deze gelegenheid ingestelde Bibliotheekcommissie, waarin
men drie zaken onder ogen zag:
Ie karakter en inrichting der bibliotheek;
2e hare uitbreiding en
3e hare berging.
Men gaf toe dat het doel nimmer helder was vastgesteld en dat de
bibliotheek een heterogene, onregelmatige samenstelling had. Daarom
moest opnieuw het overbodige worden afgestoten. Het karakter van de
collectie moest vooral gereformeerd zijn. En voor de plaatsing was een
apart pand wel wenselijk, maar onbetaalbaar. Men moest dus het overbo-
dige uitschiften, enkele kasten op de Senaatszaal erbij plaatsen en het
beginsel van seminarium-bibliotheken aanvaarden.
Curatoren zijn het 25 oktober 1916 met dit Senaatsrapport eens. Daarna
vinden we in maart 1917 een uitvoerig commentaar van Breen op het
Senaatsrapport. Hij behandelt zes punten, waarvan 1, 3 en 5 belangrijk zijn.
Inzake het principieel karakter van de bibliotheek vindt Breen het beter
om in plaats van vooral „zulke werken aan te schaffen, die een gerefor-
meerd karakter dragen" een bredere formule te kiezen om de „niet-Gere-
formeerde, maar toch Christelijke schrijvers, zoowel Protestantsche als
Roomsche niet uit te schakelen". Beter is daarom de formule: „het aan-
schaffen van die werken, die uit principieel oogpunt voor de Universiteit
van eenig belang zijn".
Het derde punt van beleid betreft de zgn. seminarium-bibliotheken
binnen de Vrije Universiteit. Breen wil de idee van dergelijke bibliotheken
niet verwerpen. Waarschijnlijk niet omdat hij met het inrichten daarvan
een apart budget met eigen verantwoordelijkheid voor de Bibliotheek zelf
hoopte te verkrijgen. Het ruimteprobleem zou er ook minder groot door
worden. Daarom adviseert hij tot seminarium-bibliotheken van geringe
omvang en beperkt tot een bezit dat bij het onderwijs gebruikt moest
worden. De algemene studiewerken en handboeken moeten centraal be-
schikbaar blijven. De verantwoordelijkheid moet geheel bij de betreffende
hoogleraar komen en deze moet zorgen dat de titels bekend zijn voor
opname in de catalogus.
Directeuren zenden op 16 maart 1917 de nota van Breen om nader
advies aan Curatoren, die zich op 7 en 15 januari 1919 met de missive bezig
houden. Intussen is Breen eind 1918 in een interessante positie komen te
verkeren door zijn benoeming tot Secretaris van Curatoren, voor een
salaris van ƒ 62,50 per kwartaal. Het gevolg van deze dubbele functie is dat
Curatoren op 8 februari 1919 de nota Breen bespreken en hun instemming
ermee betuigen. Op 1 april 1919 nemen Directeuren daarop een besluit
inzake de Bibliotheek. „Het toezicht op de Bibhotheek der Vrije Univer-
siteit wordt opgedragen aan eene commissie van hoogleraren, vertegen-
woordigende de verschillende faculteiten, en door deze aan te wijzen".
Deze Bibliotheekcommissie moet jaarlijks in overleg met de Bibhothecaris
een begroting indienen en aankopen regelen.
29
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 januari 1980
Publicaties VU-geschiedenis | 410 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 januari 1980
Publicaties VU-geschiedenis | 410 Pagina's