Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

Bekijk het origineel

Wetenschap en rekenschap - pagina 512

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Wetenschap en rekenschap - pagina 512

Een eeuw wetenschapsbeoefening en wetenschapsbeschouwing aan de Vrije Universiteit 1880-1980

3 minuten leestijd

C S A N D E R S / L . K A EISENGA

in de functieleer in het verleden altijd hebben doorgewerkt op de overige gebieden

van de psychologie (men denke b.v. aan de behavioristische gedragstherapie op

het terrein van de klinische psychologie) is op zichzelf juist, maar toch onvol-

doende om de invloed van de cognitieve psychologie naar waarde te schatten. Ze

doet immers geen recht aan de uitwerking van een ingrijpende ontwikkeling als de

cognitieve verschuiving op het methodologisch denken van de psychologie.

De oorsprong van de gangbare psychologische methodologie van de jaren voor de

„cognitive shift" lag in het huwelijk van behaviorisme en logisch positivisme/o-

perationalisme dat in de dertiger jaren tot stand kwam (Sanders, 1972, p.80 v.v.)..

Deze methodologie was duidelijk geïnspireerd door de praktijk van het onderzoek

in de natuurwetenschappen. Men zag dat niet als een bezwaar omdat men het

object van de pychologie niet als wezenlijk verschillend van dat van de natuur-

kunde beschouwde. Nu in de cognitieve psychologie de subjectiviteit in de zin van

autonome activiteit die betrokken is op een functioneel centrum, terugkeert, blijkt

dat zijn consequenties te hebben voor de methodenleer. Om dit te concretiseren

kunnen we opnieuw verwijzen naar het feit dat in de zestiger jaren de onder-

zoeksstrategie van de „narrow-scale theories" (Koch, 1951) werd gepropageerd.

Binnen die strategie voldeed de toenmalige methodologie goed. Het woord

„theoretiseren" had in die dagen bij de psychologen, die hun wetenschap de status

van een volwaardige empirische wetenschap wilden geven, een verdachte klank.

Het herinnerde aan de mentalistische fase waarin ontoetsbare brede theoretische

visies ontwikkeld werden. De strategie die men in het wetenschappelijk onderzoek

voorstond was een verkapt inductieve; eerst diende gezocht te worden naar simpele

empirische verbanden, van waaruit in een veel later stadium — eveneens inductief

— bredere samenhangen te vinden zouden zijn. Wat duidelijk gaat blijken is dat

deze strategie voor de psychologie een onmogelijke is. Een vermaard cognitief

psycholoog drukt het als volgt uit: in de decennia vóór de cognitieve revolutie

bestond er alom een „Empiricist obsession with experiments". „In psychology, one

experiment is worth a thousand theories... Unfortunately, an understanding of

human mentality is not to be achieved merely by carrying out experiments . . .

That is the hard truth, and one that is only just beginning to be learned" (Johnson

and Wason; 1977, p. 2).

Men kan de genoemde, aan de ontwikkelingsgang van de natuurkunde ontleende

strategie (Sanders e.a., 1976) aanvaardbaar pogen te maken door de ogen te sluiten

voor het triviale en de dubieuze „ecologische validiteit" (Neisser, 1976) van veel

mini-experimenten, of door zich op een uitgesproken periferalistisch-behavioris-

tisch standpunt te plaatsen en de mens als re-agerend wezen te zien wiens gedrag

met de geaardheid en de intensiteit van prikkels varieert. In het eerste geval pleegt

men struisvogelpolitiek, en indien men zijn toevlucht neemt tot het fysicalistisch

S(timulus)-R(esponse)-model is het de vraag of men even „empirisch" te werk kan

gaan als de natuurkundigen dat deden in de 18e-19e eeuw. In dit verband wijzen

wij erop dat eent)ehaviorist als Spence reeds in 1948 betoogd heeft dat de rol van

binnen het organisme gesitueerde variabelen nimmer geëlimineerd kan worden.

506

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 januari 1980

Publicaties VU-geschiedenis | 602 Pagina's

Wetenschap en rekenschap - pagina 512

Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 januari 1980

Publicaties VU-geschiedenis | 602 Pagina's