Een vrije universiteitsbibliotheek - pagina 44
Studies over verleden, bezit en heden van de bibliotheek der Vrije Universiteit
totdat hij tenslotte vlak voor zijn dood de realisatie ervan in zicht ziet
komen. Pas na vele malen herhaald aandringen komt er van de kant van
Directeuren een positieve reactie op de beleidsvoorstellen van Breen.
Reeds op 19 december 1896 verzoekt Breen om jaarlijks een vaste som
voor de bibliotheek te mogen besteden. Zijn doel beschrijft hij als volgt:
„Natuurlijk behoeft onze bibliotheek niet in alle opzichten een universiteitsbibliotheek te
zijn, daar de studenten ook van de boekerij der Gemeentelijke Universiteit gebruik
kunnen maken; doch aan twee vereischten moeten zij mijns mziens voldoen. In de eerste
plaats moet zij enkele hoofdwerken bevatten, die in geene enkele wetenschappelijke
verzamehng mogen ontbreken; en in de tweede, en voornaamste plaats, is het gewenschl
dat zij bezit wat van Gereformeerde of anti-ongeloovige zijde aan wetenschappelijk
materiaal is saamgebracht".
Over deze grondgedachte is weinig verschil van mening, maar aan Breen
wordt geen vast budget toegekend. Op 3 februari 1908 legt Breen dit
probleem opnieuw aan Directeuren voor. Uit de rekeningen aan het einde
van eenjaar bleek eerst welke werken de hoogleraren voor de bibliotheek
hadden aangeschaft. Daardoor kon de Bibliothecaris deze werken bij hen
gaan opvragen voor de catalogisering. Om tot een beter budget en een
goede besteding te komen wenste hij een bibliotheekcommissie. Zijn be-
groting zag er als volgt uit:
totaal voor de aanschaf ƒ 775,—
salaris Bibliothecaris - 300,—
salaris assistent - 125,—
diversen (binden) - 50,—
Totaal ƒ 1250,-
Hierbij behoorde een budgetverdeling van ƒ 175,— voor elke faculteit,
behalve ƒ 250,— voor de theologie.
Na eenjaar, op 12 februari 1909, vraagt Breen beleefd om een antwoord,
en op 11 juni 1909 nogmaals. Wel kreeg Breen in 1908 een assistent, maar
geen vast budget en geen bibliotheekcommissie. Directeuren wilden zich
niet vastleggen, maar van 1910tot 1923 kon Breen wel steeds over ƒ 1300,—
per jaar beschikken, inbegrepen de salarisposten.
In april 1915 komt het bibliotheekbeleid opnieuw in bespreking. Breen
schreef aan Directeuren dat de toestand onhoudbaar werd. Hij wenste
hetzij de eerste bovenverdieping van het achterhuis erbij, danwei een pand
in de nabijheid van Keizersgracht 164, of een derde redmiddel. Y)ii „red-
middel zou zijn de bibliotheek in bruikleen aan te bieden aan de gemeente
Amsterdam ter plaatsing in de U.B. aan den Singel, waar ook andere ge-
nootschappen en vereenigingen hunne boeken hebben gedeponeerd".
Dit voorstel hielp, want de Senaat schreef in mei 1915, dat er wel veel
verschil van mening over de bibliotheek bestond, maar dat men unaniem
het laatste voorstel verwierp. Een jaar later, in mei 1916, kwam een rapport
28
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 januari 1980
Publicaties VU-geschiedenis | 410 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 januari 1980
Publicaties VU-geschiedenis | 410 Pagina's