Wetenschap en rekenschap - pagina 151
Een eeuw wetenschapsbeoefening en wetenschapsbeschouwing aan de Vrije Universiteit 1880-1980
DE J U R I D I S C H E F A C U L T E I T (1880-1980)
digheid werd door zijn eigen schuld wel eens als koppigheid uitgelegd en buiten-
staanders trof meer zijn afgemetenheid dan de daarnaast en daarboven aanwezige
hulpvaardigheid en behoefte aan vertrouwen.
Zijn betekenis heeft niet gelegen in wat tamelijk pretentieus maar toch wel raak
grensverleggend onderzoek moet worden genoemd. Hij was een man van reguliere
opvattingen. Hij behandelde het liefst, geen geschiedfilosofie biedend zo min als
archiefonderzoek bedrijvend, ofschoon men van iemand zo historisch geschoold
als hij het had kunnen verwachten, meer algemene onderwerpen in losse samen-
hang . Thorbecke waardeert hij. Kuyper ligt hem niet, ondanks geuite lof Een wat
vergeten ethisch rechtsgeleerde, de hoogleraar Gratama is, via zijn eigen leer-
meester in Utrecht B.C. de Savornin Lohman, een man naar zijn hart, zelfstandig,
geen systeembouwer, weinig gewaardeerd omdat hij ook met weinigen overeen-
stemde. Het autoritaire lokte Scholten als hij het eens was met wat het inhield; toch
klaagde hij ook over het gebrek aan democratie wanneer hij meende dat zijn
opvattingen geen bijval vonden. Zijn instelling was nationaal en het reeds ge-
noemde buitengewoon hoogleraarschap in het staatsrecht aan de Koninklijke
Militaire Academie was gaarne aanvaard met een rede over 1813, vrucht der tijden
(1963). Hij huldigde de gedachte der Christelijke volkseenheid, was steeds voor
verdieping van de volksgeest, moest van splitzucht niets hebben, aanvaardde de
Bijbel op de openbare school en kon eigenlijk het best als een lastig democraat
worden gekarakteriseerd die op het gezag gesteld was, als een autoritair indivi-
dualist die gaarne in zijn betoog tegenspraak uitlokkende uitspraken deed; of hij
ze tenslotte overeind hield was een tweede. Illustratief voor zijn methode is dat hij
het dualisme van Kroon en Staten Generaal in ons staatsrecht aanvaardend,
beduchtheid uit voor een overheersen van het Parlement en zonder de kwestie te
beslissen de mogelijkheid ook van een koninklijk kabinet vermeld.
Doceren, niet onderzoeken en evenmin een universiteit besturen, al onthield hij
zich nooit van gevraagde medewerking, zat hem in het bloed. Voor zijn studenten
was het onderricht aantrekkelijk; hij was als kweekschooldirecteur vermaard om
zijn lessen; in Leiden, Breda en Amsterdam zou het niet anders wezen. De
taalbeheersing liet weinig te wensen over, het betoog werd met zekere klem,
zonder hapering gebracht. Ten diepste was hij op saambinding en harmonie
gesteld, al kon hij eenzijdig bij grotere en kleinere twistpunten aan één oplossing
vasthouden. In de kwestie Nieuw Guinea, terzake van de mammoetwet, als het
ging om naleving der bepalingen met de onderwijsvrijheid samenhangend, of over
de getallen vereist voor schoolstichting, gaf hij geen kwartier. In zijn verwerking
van het socialisme maakte hij soms de indruk, in strijd met zijn toch wel sensibele
natuur, aan maatschappelijke nood voorbij te zien. Wie hier van hardheid zou
willen spreken, bedenke dat hij eerst na zijn laatste college medisch advies inwon,
omdat hij weigerde zijn werk ontijdig te beëindigen.
Toen H.D. van Wijk (1915-1976) in 1955 als lector in het Nederlandse admini-
stratief recht en het bestuursrecht benoemd werd, had hij reeds een gevarieerd
147
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 januari 1980
Publicaties VU-geschiedenis | 602 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 januari 1980
Publicaties VU-geschiedenis | 602 Pagina's