Wetenschap en rekenschap - pagina 572
Een eeuw wetenschapsbeoefening en wetenschapsbeschouwing aan de Vrije Universiteit 1880-1980
J KLAPWIJK
scholastiek. Mag van het evangelie een reformerende werking worden verwacht
voor de wetenschap zelf, of is de laatste slechts een neutraal instrument, dat zich
leent voor christelijke toepassingsmogelijkheden? Is de wetenschap slechts een
natuurlijk gerei voor hogere, „bovennatuurlijke" doeleinden? Of wordt de chris-
telijkheid van de wetenschap slechts door het ethos van haar beoefenaars inge-
bracht? In dat geval zou het woord van de kerkhistoricus Nauta terzake zijn:
,,Waar het mij hier om te doen is, is alleen de vaststelling dat wie het voorstelt alsof
wat er nu gebeurd is, geheel en al in de lijn en de geest zou zijn van Kuyper, zich
schuldig maakt aan geschiedvervalsing. Niet Kuyper, maar Gunning kan gelden
als geestelijke vader van de grondslagbepaling als banier der Vrije Universiteit".^'
Om kort te gaan, sedert 1971 vindt de wijsgerige refiectie weinig houvast meer in
de gekozen grondslagbepaling. En dat terwijl, zoals in het vervolg zal blijken, juist
in deze tijd ook in niet-christelijke kring de wetenschapstheorie doende is de
levensbeschouwelijke onderstellingen van alle theorievorming te ontdekken!
Ook in bestuurlijk opzicht kreeg de C.I.F. met de doelstelling van doen. In het
faculteitsreglement van 1972/73 gold de bepaling, dat leden van de faculteitsraad
als hoogste gezag binnen de faculteit dienden in te stemmen met de doelstelling,
tenzij het faculteitsbestuur iemand ontheffing verleende op grond van een schrif-
telijke bereidverklanng „om naar zijn vermogen in de geest van de doelstelling van
de Vrije Universiteit te werk te gaan in het besturen van de interfaculteit"
(art. II.4.2.). Met deze bepaling ging de universiteitsraad niet akkoord. Ook het
bestuur van de Vereniging, dat in 1976 nog voor alle faculteitsraden aandrong op
het afleggen van een bereidverklaring in bovengenoemde zin, zag naderhand van
een dusdanige reglementering af en onthield sindsdien de C.I.F. morele steun. De
raad paste onder protest in 1978 haar reglement aan.
In deze reglementenstrijd ging het maar niet om verkapt verzet tegen democrati-
sering, studenteninspraak of iets dergelijks. Ook nu weerstond centraal de zorg om
de christelijk-wijsgerige bezinning ook naar de toekomst gaande te houden en
hierin als facultaire gemeenschap duidelijk en geloofwaardig te zijn. Anderzijds
wordt er binnen de C.I.F. ook wel benadrukt, dat geen enkel reglement water-
dichte garanties geeft. Ja er wordt zelfs gesteld, dat reglementering funest is voor
de spankracht van het geloof, voor de overtuigingskracht van christelijke wijsbe-
geerte. Geluiden die ook hunnerzijds duiden op de open of, zo men wil, openge-
broken situatie waarin het filosoferen aan de V.U. is komen te verkeren. Dat
vraagt thans om nadere analyse.
Van Peursen en Dooyeweerd over de scheppingsorde
In de studierichting systematische wijsbegeerte heeft de centrale interfaculteit
naast de zogenaamde brede systematiek en cultuurfilosofie (Van Riessen) ook de
vakken kennis- en wetenschapsleer (Van Peursen), logica (De Jong), ethiek
(Troost) en antropologie (De Deugd) ondergebracht. Toen CA. van Peursen (geb.
566
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 januari 1980
Publicaties VU-geschiedenis | 602 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 januari 1980
Publicaties VU-geschiedenis | 602 Pagina's