Een vrije universiteitsbibliotheek - pagina 339
Studies over verleden, bezit en heden van de bibliotheek der Vrije Universiteit
met zijn verlangen naar echtheid waardeerde dit hoog. Als ze eens een
artikeltje van ds. Jan de Liefde voor hem heeft overgeschreven, schrijft hij
terug: „Ik kon de zucht niet onderdrukken: Had ze inplaats van zich de
moeite te geven de Liefde na te schrijven, liever de laatste vier zijdjes
gevuld met wat ze „nonsense" belieft te noemen... Daarom ben ik juist zoo
blij dat gij nooit tijd hebt tot lezen, want des te meer zekerheid heb ik dat
wat ge mij geeft uwe eigene gedachten zijn" (21-11-81). Hij zag naar haar
brieven uit en las ze herhaaldelijk door. „. . . de vorige week was ik zoo
ietwat labberlottig zooals ik dat zes maal in de week gewoonlijk ben en tot
troost nam ik uw bundel en las las, neen verslond en ik was heelemaal weer
lekker" (9-4-82). Zijn eigen brieven aan Elisabeth zijn voor hem een uit-
laatklep voor al zijn twijfels en problemen die hij niet kon uiten in de
brieven aan zijn vader, laat staan in zijn officiële rapporten. „Ik heb u met
uwe toestemming gekozen, uitgevonden als ik zoo eens zeggen mag als een
trouw hart waar ik al mijn waarheid eens kan uitstorten" (27-11-80). Juist
die volstrekte openhartigheid maakt deze brieven nog vandaag tot boei-
ende lectuur.
Beiden hebben ook een goede stijl van schrijven. De brieven van Julius
verraden een zeker hterair talent^^ en een scherp waarnemingsvermogen.
Meesterlijk kan huj een persoon of situatie typeren. Over Gunning:
„Daarom ofschoon Gunning een ketter is en zichzelf honderdmaal tegen-
sprak en en (tweemaal) soms raaskalde mocht ik hem graag hooren omdat
ik den indruk kreeg, die man gelooft wat hij zegt en zegt precies wat hij op
dat oogenblik gelooft. Zoo'n man is gevaarlijk voor de kerk! toegestemd
want de eenvoudigen van hart worden om eens Kuyperiaansch te spreken
van hunne vastigheden bewogen. Hij deed ook beter en eerlijker van den
kansel af te gaan, maar ik houd het er voor dat die man voor zich zelf meent
voor God en menschen te spreken wat hij spreken moet" (13-8-81).
Over Kuyper: „Ik ken hem al van Utrecht, toen ik hem hoorde preeken
ik zag hem groeien, veranderen, naar Amsterdam trekken, den kerkeraad
in de war sturen, naar de Tweede Kamer trekken, Brightoniaan worden en
vrije geriffermeerde Academies bouwen. Meent ge dat zoo'n man me niet
interesseert? hoogelijk! maar hij wekte mijn liefde nimmer, mijn bewon-
dering eenmaal. Toen ik hem over Calvinisme, terwijl ik een heete koorts
had een lezing hoorde houden.^^ o f het de koorts was, of de man, maar op
dat oogenblik was ik hem gevolgd door dik en dun. Toen was hij nog niet
gereformeerd!" (21-7-81). Onbedoeld zegt deze passage ook iets over de
meeslepende kracht van Kuypers woorden. Over predikanten in het alge-
meen: „Gij maakt uit mijn brieven op dat ik de dominé's voor komedian-
ten houd. Dat is betrekkelijk Lijs! Er zijn komedianten onder. Maar een
hypokriet of komediant is twee. De Tartuffe's die willens en wetens vroom
schijnen en 't niet zijn, zijn geloof ik niet zoo talrijk, maar men kan
comediant zijn omdat ons een rol is ingepompt en wel voelende dat het niet
recht zupver toegaat toch uit zwakheid in zijn rol blijven... Laten we eens
een typisch geval nemen. A heeft een zoon die op school nummer een is, A
323
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 januari 1980
Publicaties VU-geschiedenis | 410 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 januari 1980
Publicaties VU-geschiedenis | 410 Pagina's