Wetenschap en rekenschap - pagina 560
Een eeuw wetenschapsbeoefening en wetenschapsbeschouwing aan de Vrije Universiteit 1880-1980
J KLAPWIJK
1978 Stichting voor Reformatorische Wijsbegeerte geheten.
Dooyeweerd en de „wijsbegeerte der wetsidee"
Dooyeweerd (1894-1977) kreeg zijn juridische opleiding aan de V.U. en was
nadien onder H. Colijn enige tijd adjunct-directeur van de dr Abraham Kuyper-
stichting, het wetenschappelijk partijbureau van de Antirevolutionaire Partij. Van
1926 tot 1965 was hij hoogleraar in de rechtsfilosofie, de encyclopedie der rechts-
wetenschappen en het oudvaderlandsrecht aan de Vrije Universiteit. Zijn stan-
daardwerk is De wijsbegeerte der wetsidee in drie dikke delen (1935/36), een boek
dat naderhand ingrijpend werd herzien en in het Engels uitgebracht onder de titel
A New Critique of Theoretical Thought met een uitvoerig register (1953/58). Ook
ontwierp Dooyeweerd een drie-delig boek over de geschiedenis der wijsbegeerte
Reformatie en scholastiek in de wijsbegeerte, waarvan slechts het eerste deel ver-
schenen is (1949).
Evenals Pos geraakte Dooyeweerd aanvankelijk sterk onder de bekoring van het
neokantianisme (in zijn geval de Marburgse richting) en de fenomenologie
(WdW I v). Hierdoor is ook bij hem de kennistheorie en dat in de kantiaanse trant
van een kritische bezinning op de grondslagen van het wetenschappelijk denken
de toegangspoort tot de filosofie geworden. Anders dan Pos hield Dooyeweerd als
staatsrechtsgeleerde zich evenwel ook indringend bezig met de denkbeelden van
Groen van Prinsterer en Abraham Kuyper als politieke voormannen van het
neo-calvinistisch Réveil in Nederland. Hetgeen Pos de V.U.-gemeenschap aan-
vankelijk in het vooruitzicht had gesteld, te weten de verbinding van kriticisme en
calvinisme, leek Dooyeweerd duidelijker in het vizier te krijgen. Zijn uitdagende
stelling was, dat een radicaal kriticisme ons niet brengt bij het rationalisme van
Kant, dat is bij de autonome zelfgenoegzaamheid van de menselijke rede, maar bij
het calvinisme van Kuyper, of liever, bij de onzelfgenoegzaamheid van de mens
als beelddrager van God en bij de religieuze wortel ook van zijn theoretisch-we-
tenschappelijk denken.
«
Trancendentale kritiek van het theoretisch denken
Dooyeweerd hoedde zich er ondertussen voor niet de weg te gaan die op dit punt
de christelijke scholastiek de eeuwen door met weinig kritische zin bewandeld had,
te weten die van de metafysische Godsbewijzen. Voor hem als voor Kant was de
metafysica een over het paard getilde filosofie, klaar voor de komende smak. Hij
wilde dan ook geen metafysische bespiegeling over de orde van een boven-empi-
risch zijn; hij wilde een trancendentale bezinning op de structuur van de empirie
zelf, dat wil zeggen een bezinning op de voorwaarden waaronder of de gronden
waarop menselijke ervaring mogelijk is. En om te beginnen: een bezinning op de
554
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 januari 1980
Publicaties VU-geschiedenis | 602 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 januari 1980
Publicaties VU-geschiedenis | 602 Pagina's