Wetenschap en rekenschap - pagina 28
Een eeuw wetenschapsbeoefening en wetenschapsbeschouwing aan de Vrije Universiteit 1880-1980
W . J . WIERINGA
de eigen zelfstandigheid, geen mogelijkheden van samenwerking waren met
openbare universiteiten, zoals bijvoorbeeld in de vorm van uitwisseling van
hoogleraren en van gemeenschappelijke colleges. Dat zou een begin kunnen zijn
van een externe integratie in universitair verband.
Hoewel de toehoorders het misschien niet zo duidelijk hebben aangevoeld, mag
achteraf wellicht geconstateerd worden, dat de rede van Oranje in bepaalde
opzichten als markant mag worden beschouwd. Zij werd uitgesproken op het
moment van de overgang van de vooroorlogse wereld naar een nieuwe wereld,
waarin zich op nagenoeg alle terreinen van de samenleving nieuwe problemen,
nieuwe ideeën en vormveranderingen zouden voordoen. Dat gold ook met be-
trekking tot de universiteiten, de wetenschap en de wetenschapsbeoefening. De
contouren van die nieuwe wereld waren vlak na de oorlog nog nauwelijks zicht-
baar, maar toch was er een groeiend bewustzijn van op handen zijnde verande-
ringen, die dwongen tot nieuwe bezinning en nieuwe vormgeving. En daarvan
klonk ook iets door in de rede van Oranje. Uit de voorbijgegane periode werden
onverkort overgenomen de calvinistische beginselen als grondslag en uitgangs-
punt voor de wetenschapsbeoefening en voor de vorming van studenten, maar
daarnaast bevatte zij ook aanwijzigingen en aanbevelingen voor koerswijzigingen,
die de Vrije Universiteit een gewenste bredere basis zouden kunnen geven en
bevrijden uit het isolement, waarin zij in de loop der jaren, mede als gevolg van een
sterke interne integratie was terecht gekomen. En dat er een nieuwe oriëntatie
gewenst, zelfs in bepaalde opzichten noodzakelijk was, zouden de komende jaren
duidelijk maken.
In de na-oorlogse periode en met name in de tweede helft ervan hebben de
universiteiten een ontwikkeling te zien gegeven, die in menig opzicht stormachtig
en onstuimig was. Zij kregen te maken met een vergeleken met vroeger explosieve
groei der studentenpopulatie, mede als gevolg van de externe democratisering,
waarbij zich in de loop van de jaren zestig het probleem der interne democratise-
ring voegde, die in de Wet Universitaire Bestuurshervorining haar voorlopige
organisatorische structuur kreeg. Niet alleen in dit opzicht maar ook met betrek-
king tot andere zaken kwamen de universiteiten in de branding te staan. Om-
streeks het midden der na-oorlogse periode wijdde I. A. Diepenhorst er een be-
schouwing aan in een geschrift, dat hij als titel meegaf: ,,De geprangde universi-
teit". Daarin stalde hij tal van bedenkingen en bezwaren uit, die uit allerlei hoeken
zowel in binnen- als buitenland tegen de universiteiten werden ingebracht.
„Streng is het requisitoir, dat de zich fel roerende aanklagers tegen de huidige
universiteiten en hogescholen uitbrengen", aldus Diepenhorst. Om enkele van die
aanklachten te noemen: door een al te geringe aanpassing presenteren zij zich
meer als een middeleeuwse universiteit dan als de polsslag van het heden voelende
instellingen en voorts dragen zij, wat nog ernstiger is, mede de verantwoordelijk-
heid voor de onderkenning der kernkrachten, daarmee wetenschappelijk en tech-
nisch veroverend, wat zij moreel niet beheersen.
24
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 januari 1980
Publicaties VU-geschiedenis | 602 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 januari 1980
Publicaties VU-geschiedenis | 602 Pagina's