Wetenschap en rekenschap - pagina 197
Een eeuw wetenschapsbeoefening en wetenschapsbeschouwing aan de Vrije Universiteit 1880-1980
F A C U L T E I T DER G E N E E S K U N D E
Universiteit toe te voegen. In een reeks artikelen in „De Rotterdammer" in sep-
tember van dat jaar, pleit de arts G .K. Schoep'^ voor een snelle oprichting van een
medische faculteit door af te zien van de eis van examenbevoegdheid en door het
benoemen van hoogleraren in klinische vakken. Er bestaat, volgens hem „meer
behoefte aan christelijke artsen dan aan christelijke leraren. Men heeft zich idea-
len gemaakt van de invloed die christelijke artsen op het volksleven zouden
kunnen uitoefenen. Niet de laboratoria, maar het ziekbed vormen de aankomende
geneesheer." De beslissende invloed op het leven en denken van de medische
student zou in de eerste plaats uitgaan van de klinische vakken. De principiële
vragen, die in de geneeskunde aan de orde kunnen komen, zouden bij de klinische
vakken minder gemakkelijk tot meningsverschillen leiden dan bij de preklinische
basisvakken. Schoep denkt daarbij vooral aan de beantwoording van ethische
vragen. En verder: „In het schone, naar de regels der wetenschap opgetrokken
gebouw ontbreke ook de verwarmende gloed der christelijke liefde en barmhar-
tigheid niet." Wat Schoep met deze enigszins dichterlijke uitspraak wil zeggen, is,
dat het natuurwetenschappelijke denken, waaraan de geneeskunde haar grote
vooruitgang heeft te danken, zijn plaats volledig zal moeten behouden, maar dat
daarbij de eenheid van de zieke mens in zijn geestelijk en stoffelijk zijn niet buiten
beschouwing mag blijven. Dat vraagt van de arts, dat hij enerzijds de betekenis
van de persoonlijkheid van de patiënt zal trachten te doorzien en anderzijds zich
zo zal leren opstellen dat het contact tussen hem en de patiënt, die zijn raad komt
vragen, zo volledig mogelijk kan zijn. Voor een goede medische zorg zijn nodig
„een uitgebreide wetenschappelijke kennis, een juist invoelen van de geestelijke en
lichamelijke toestand van de patiënt en een hart vol liefde."'^
Schoep zegt dit in een voordracht waarin hij ingaat op de tegenstelling, die is
ontstaan tussen de wetenschappelijke geneeskunde en de praktische geneeskunde.
De huisarts blijkt in veel gevallen met diagnosen als: ongelukkig huwelijk, slechte
woning, onvoldoende voeding, slordige en onverstandige levenswijze de waarheid
omtrent de patiënt dichter te benaderen dan de specialist na grondig somatisch
onderzoek. Er is daardoor veel onvrede ontstaan en er kan gesproken worden van
een crisis in de geneeskunde. Deze kan alleen opgelost worden, wanneer weten-
schap en praktijk opnieuw naar elkaar toegroeien.
Opvallend is, dat dezelfde problemen, die Schoep in deze voordracht, gehouden in
1929, aan de orde stelt, de geneeskunde van vandaag nog steeds in sterke mate
beroeren.
De inspanningen van Schoep en zijn aanhang in 1927 hebben toch niet geleid tot
een snelle oprichting van een medische faculteit. Nadat in 1930 als vierde faculteit
die der wiskunde en natuurwetenschappen was ingesteld, volgde in 1948 de fa-
culteit voor economische en sociale wetenschappen. Eerst in 1950 werd als zesde
faculteit de faculteit der geneeskunde geïnstitueerd.
Hoe heeft men sinds haar oprichting in 1950 in de faculteit der geneeskunde
gedacht over het verband tussen onderwijs, onderzoek en patiëntenzorg enerzijds
193
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 januari 1980
Publicaties VU-geschiedenis | 602 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 januari 1980
Publicaties VU-geschiedenis | 602 Pagina's