Wetenschap en rekenschap - pagina 564
Een eeuw wetenschapsbeoefening en wetenschapsbeschouwing aan de Vrije Universiteit 1880-1980
J KLAPWIJK
lichaam losliet en met de bijbel aandacht vroeg voor het menselijk „hart", waaruit
de „uitgangen des levens" zijn (Spr 4 23) Het hart is voor Dooyeweerd geen
„geestelijke substantie" ( = zelfstandigheid) Het is in de mens het meest centrale,
zelfs „boventijdelijke" (NC I 32) betrekkingspunt, niettemin onzelfstandig, omdat
het menselijk ik als beeld van God boven zichzelf naar zijn goddelijke Oorsprong
verwijst Om deze reden stelde Dooyeweerd dan ook ten aanzien van de drie
axiomata („wetsidee") van de wijsbegeerte, dat van christelijke zijde de oorsprong
van de kosmische werkelijkheid gezocht moest worden in God, haar eenheid in de
omvattende eis van het bijbelse liefdegebod, zoals dit vervuld is in Christus als de
wortel van een herboren hart, van een hernieuwde mensheid, ja van een herrezen
schepping, haar samenhang tenslotte in de zogenaamde kosmische tijd, die zijns
inziens de eerder gememoreerde verscheidenheid van sociale kringen en kos-
mische structuren als tijdelijke structuren overbrugt Een nadere adstructie moe-
ten we hier terzijde laten
Op grond van zijn kosmologie en antropologie heeft Dooyeweerd tenslotte ook de
epistemologie op nieuwe leest geschoeid In een richting die door Kuyper reeds
werd aangeduid heeft hij de westerse wijsbegeerte vanaf Descartes verweten, dat
ZIJ de kentheoretische positie van denksubject en kenobject in de wetenschap (de
zogenaamde „Gegenstandsrelatie") heeft verabsoluteerd tot een primordiaal ge-
geven, tot de plaats van de mens in de wereld Dit zou gebeurd zijn vanuit het
onbewuste antropologische axioma dat het merk van de mens niet creatuurlijk en
religieus is, maar autocreatief en rationeel Waar Dooyeweerd echter vanuit zijn
bewuste religieuze axiomatiek de mens ziet als ingevoegd in de scheppingsstruc-
turen van de kosmische werkelijkheid, is de wetenschap voor hem geen eerstkomer
maar een laatbloeier, ook in deze principiële zin dat zij de synthetische verbinding
voltrekt tussen een meervoud van reeds voorhanden menselijke ervarmgswijzen
(een logische en een niet-logische)
Deze synthetische structuur van de wetenschap zijn we eerder tegengekomen Ze
leek het vertrekpunt te zijn van Dooyeweerds filosofie als „trancendentale kri-
tiek" Ze blijkt nu tevens zijn filosofisch eindpunt te zijn' Is dat geen vicieuze
cirkelredenering'' Eerst werd theoretisch beredeneerd, hoe het theoretische den-
ken als synthetiserend denken religieus gemotiveerd is, thans blijkt dit resultaat op
Dooyeweerds eigen redenatie terug te slaan ze wil appelleren op andersdenken-
den, maar rust ondertussen zelf reeds in een axiomatische, religieuze overtuiging "
We constateren dit slechts en laten de vraag voor later liggen ot Dooyeweerds
wijsgerige opstelling hiermee uiteindelijk verzwakt is of versterkt
Vollenhoven en de „schnjtuurhjke wijsbegeerte"
Het optreden van Vollenhoven viel nagenoeg gelijktijdig met dat van Dooye-
weerd D H Th Vollenhoven (1892-1978) was in 1918 bij Geesink gepromoveerd
op een wijsgerig proefschrift De wijsbegeerte der wiskunde van theïstisch standpunt.
558
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 januari 1980
Publicaties VU-geschiedenis | 602 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 januari 1980
Publicaties VU-geschiedenis | 602 Pagina's