Wetenschap en rekenschap - pagina 553
Een eeuw wetenschapsbeoefening en wetenschapsbeschouwing aan de Vrije Universiteit 1880-1980
H O N D E R D JAAR FILOSOFIE AAN DE VRIJE UNIVERSITEIT
gunstige gezindheid van God) Het christendom keert zich zijns inziens dan ook
niet tegen de natuur maar tegen zonde en afval (GD I 669, 378) Niet natuur en
genade, maar zonde en genade staan antithetisch tegenover elkaar als twee reh-
gieuze beginselen die heel het menselijk leven, het leven van cultuur en weten-
schap incluis, richtinggevend bepalen (WO 227) Om die reden kant Bavinck zich
ook met Kuyper tegen de boedelscheiding van geloof en wetenschap, verwerpt de
idee van „voraussetzungslose" wetenschap en bepleit een christelijke wetenschap
en een christelijke universiteit '^
In weerwil van deze gemeenschappelijke reformatorische grondgedachte laat Ba-
vincks werk, met name zijn Gereformeerde dogmatiek toch een aantal verschil-
punten zien, relevant voor ons onderwerp Allereerst met betrekking tot de anti-
these-leer, waarin Bavinck gematigder blijkt dan Kuyper Zo merkt Bavinck op,
dat bij alle verzet tegen het gememoreerde supranaturalisme Gods heilshandelen
in de natuurlijke, geschapen werkelijkheid toch wel een supranaturele in de zin
van een transcendente oorsprong heeft, in zoverre heeft het onderscheid van
natuur — bovennatuur ook op reformatorische grondslag „recht van bestaan"
(GD I 325, 278, 282, WO 138) Bovendien is de antithese zijns inziens een strijd
van principes, niet van personen, reden waarom hij Kuypers concluderen vanuit
tweeërlei beginsel naar tweeërlei mensen en tweeërlei wetenschap een metabasis
eis allo genos noemt Het rijk van de waarheid kan net zo min met de wederge-
borenen als het rijk van de Satan met de onwedergeborenen worden gelijkgesteld,
bij eerst genoemden is in feite veel dwaling, bij laatst genoemden veel waarheid
aanwezig '"• Tenslotte stelt Bavinck dat de ook voor hem zo principiële tegenstel-
ling tussen geloof en ongeloof, christendom en heidendom, toch niet uitsluitend
antithetisch is In de heidense religies moeten „elementen van waarheid" erkend
worden en het christendom mag „de vervulling" heten van het zoeken der heide-
nen op grond van Gods algemene openbaring en in ruimere zin van zijn algemene
genade "
Een ander zicht op de antithese brengt ook met zich mee een ander zicht op de
gangbare filosofie' Met Kuyper acht hij haar mogelijk vanuit Gods algemene
genade, die toch ook inhoudt een intomen van leugen en dwaling in het denken
Bavinck ziet deze algemene genade echter met iets meer consistentie dan Kuyper,
naar het mij voorkomt, als een bron van licht en waarheid, voorzover Gods
algemene openbaring ook in een van Hem vervreemde wereld bij alle verblinding
blijft schijnen (GD I 283) Om deze reden kan hij dan ook de gangbare filosofie
met Calvijn duiden als een donum Dei (GD I 509, 577, VO 53) En dat niet alleen'
HIJ wijst er tevens op, dat het christendom de antieke beschaving en filosofie niet
heeft vernietigd, maar „gekerstend en alzoo geheiligd" (GD I 577) Reeds de
kerkvaders kwamen tot het inzicht, dat de heersende wetenschap „noch geheel te
verwerpen noch geheel te aanvaarden was" (CWt 14) Het is duidelijk, dat een
dergelijke gedachtenlijn aan het christelijk filosoferen nieuwe en andere opgaven
stelt dan een consequente kuyperiaanse antithese-leer En dan vooral toch de
opgave om met deze openheid voor het niet-chnstelijke denken niet wederom in
547
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 januari 1980
Publicaties VU-geschiedenis | 602 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 januari 1980
Publicaties VU-geschiedenis | 602 Pagina's