Een vrije universiteitsbibliotheek - pagina 277
Studies over verleden, bezit en heden van de bibliotheek der Vrije Universiteit
.geheim' is gelegen in het „in recte sapiendo" Wat Schotanus hieronder verstaat, wordt
o 1 duidehjk uit de beide laatste ~ moeihjk leesbare — regels van het derde gedeelte (111)
SI Chrisium bene sets saus esl si celera nescis
Si Chiistum nescis nihil est quad celerii discis
Deze regels worden — veelzeggend — voorafgegaan door de Griekse versie van Schotanus"
devies .Unurn esl necessarium'. „Een ding is nodig", nl luisteren naar (de woorden van)
Christus, cf. Lukas 10,42
In het laatste gedeelte (111) van zijn inscriptie refereert Schotanus aan de „met recht"
(„jure") door Perez verworven licenliae giadus en memoreert hij diens ambt van Procu-
ratoi der Natio Germanica Ook geeft hij blijk van de hechte vriendschapsbanden tussen
hen beiden („amicus", „patronus longe integerrimus")
We zouden op dit punt tot een nadere afronding van ons artikel zijn
gekomen, ware het niet dat de relatie tussen Schotanus en Perez nog een
zekere precisering behoeft. Aanleiding hiertoe is een mededehng van Lol-
lius Adama, in de door hem in 1605 gehouden lijkrede. Volgens Adama
zou Schotanus te Orleans niet alleen zijn eigen rechtskennis hebben ver-
meerderd, maar ook — tegen materiële vergoeding — onderricht hebben
gegeven aan een tweetal adellijke ,juvenes': „Hispano-Belgam, itemque
Galium, caeteris nobilitate, nomineque eximiores, magis insignes".^*^ Dit
gegeven werd later ook door Vriemoet^^ opgenomen, die op zijn beurt
werd nagevolgd door Paquot:^^ „De Douai il ( = Schotanus) alia en Fran-
ce, il étudia quelque tems a Orleans, oü il s'entretint aux dépens de deux
jeunes seigneurs, l'un Flamand, l'autre Fran9ois, dont il étoit Précepteur".
Naar aanleiding hiervan dringt zich onmiddellijk de vraag op of we de
„Flamand"-in-kwestie met Perez mogen identificeren. De vraag is des te
klemmender, omdat hiermee tegelijk afdoende verklaard zou zijn waarom
Perez door Schotanus — in diens inscriptie — „patronus suus longe inte-
gerrimus" wordt genoemd.
Is de vraagstelling in het licht van Adama's gegevens zeker gerecht-
vaardigd, zij blijkt — alle ,Entdeckerfreude' ten spijt — irrelevant te zijn in
het licht van de archivalische gegevens. De door ons geraadpleegde archi-
valia bieden een geheel ander beeld van Schotanus' studieverblijf te Or-
leans dan Adama. Wekt de laatste de indruk dat Schotanus toch geruime
tijd te Orleans moet hebben vertoefd, de archivalische ,data' pleiten voor
het tegendeel. Van beslissende betekenis is in dezen de datum van Scho-
tanus' immatriculatie.^^ In de „Acta" van de reeds genoemde Procurator
Ludovicus Carrio (april-juni 1583) treffen we zijn naam aan onder de
„Nomina matriculae hoc trimestri inscriptorum": eigenhandig schreef hij
zich in als „Henricus Schotanus Frisius occid(entahs?)", en wel op de
„VlIII.a Maji" 1583 (!) (A.D.L., D 215, fol. 195r).54
Opvallend is dat de naam van Schotanus d m v een accolade verbonden is met die van
Joannes Jarghes „Phrysius Gronningensis" Reeds Adama^'' moet zich vergist hebben,
toen hij schreef dat Schotanus met zijn „discipulus" Joannes Coeners ( = Coenders) te
Orleans ging studeren EvenalsSchotanus werd Joannes Jarghes op de 12e mei 1583 „J U.
licentiatus", getuige de „Acta" van de Procurator Ludovicus Carrio (A.D.L , D 215, fol
194v).
261
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 januari 1980
Publicaties VU-geschiedenis | 410 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 januari 1980
Publicaties VU-geschiedenis | 410 Pagina's