Gesprekken over honderd jaar Vrije Universiteit - pagina 168
door op de vragen zo in te gaan dat ook ik de antwoorden
begreep en kon noteren. De lezer kan uit het hierna
volgend verslag opmaken hoezeer hij aan mijn verzoek
heeft voldaan, al vanaf mijn eerste vraag, die luidde:
IVat is uw vak, en waarom vindt u dat mooi?
,,Mijn vak is de kindergeneeskunde.
Ik vind het nog altijd buitengewoon mooi. Het is een keus
die me nooit berouwd heeft. Ik weet niet of dat interessant
is voor u, maar ik ben er op een wat eigenaardige wijze
aangekomen.
Toen ik in de lagere-schoolklassen en op het lyceum zat,
had ik eigenlijk eerst biologie willen studeren. Dat was in
de malaisetijd der dertiger jaren, nou nee, al in '29. Toen
zijn er eigenlijk twee dingen gebeurd. In de eerste plaats
was er een puur praktisch probleem: en dat was dat er geen
geld was voor studie; mijn ouders zouden dat niet kunnen
isetalen. En er was ook geen enkele denkbare mogelijkheid
dat je daarvoor een beurs zou kunnen krijgen. Wij dachten
althans van niet. Er was een vage mogelijkheid datje wel
een beurs zou kunnen krijgen voor de studie in de medicij-
nen. Mijn vader dacht toen nog aan de mogelijkheid voor
een studie op rijkskosten, met de verbintenis om in ieder
geval voor zes jaar naar het toenmalige Nederlands Oost-
Indië te gaan als militair arts, en dat was dan iets om op aan
te werken, ofschoon ik ook in die tijd al erg weinig voelde
voor welke vorm van militairisme ook.
Maar een tweede, veel belangrijker reden om van koers te
wijzigen, was dat ik eigenlijk meer en meer het besef kreeg,
dat ik waarschijnlijk van een biologiestudie, ook al zou ik
die hebben kunnen volgen, niet veel terecht gebracht zou
hebben, omdat dat toen een typisch vak was dat men
studeerde uit liefhebberij, zonder dat daar ook naderhand
eigenlijk maatschappelijke verplichtingen aan verbonden
zouden zijn. Hetgeen dan zou kunnen leiden tot doorstu-
deren voor eigen genoegen, zowel om de wetenschappelij-
ke als om de esthetische kanten daarvan; maar eigenlijk
leek mij dat toch wel een erg egocentrische, om niet te
zeggen egoïstische opvatting. En ik kreeg meer en meer de
gedachte dat als je eenmaal medicus zou zijn, dat je dan
doorlopend in de rug geduwd zou worden door je patiën-
ten, en dat je, zelfs al zou je dat niet altijd willen, wel
gedwongen zou zijn om wél wat te doen voor je medemen-
sen.
Het klinkt misschien wat gek, maar zó heb ik dat gezien.
164
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 januari 1980
Publicaties VU-geschiedenis | 332 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 januari 1980
Publicaties VU-geschiedenis | 332 Pagina's