Wetenschap en rekenschap - pagina 270
Een eeuw wetenschapsbeoefening en wetenschapsbeschouwing aan de Vrije Universiteit 1880-1980
J. L E V E R / L . VLIJM
erkent: ,die ungeheure Lückenhaftigkeit unserer palaontologischen Kenntnisse'
maakt rechtstreeks bewijs onmogelijk; en ook het in 1894 door onze Eugen Dubois
op Java uitgegraven skelet van de Pithecanthropus erectus ... vult de leemte in het
bewijs allerminst aan".'^ Men wees dan verder nog wel op morfologische over-
eenkomsten tussen mens en apen. De meest voorkomende redenering was echter,
dat de afstamming van de mens uit de evolutieleer volgt. Kuyper straft dit af met
de opmerking: „Juist dat wat ge bewijzen moet, hebt ge aldus bij Uw inductie, er is
geen zachter woord voor, in strijd met alle goede logica binnen gesmokkeld".'*
2.2.3. Heel interessant is Kuyper's bespreking van de erfelijkheid. Het blijkt dat hij
zich niet alleen grondig van de vakwetenschappelijke kennis op de hoogte had
gesteld, maar deze ook scherpzinnig wist te beoordelen. Hij zag in dat de sleutel
van de evolutie in de genetische verschijnselen moest liggen: „De Achilles-hiel
school hier in de factor der overerfelijkheid, waarmee heel het stelsel staat of
valt."^' De problemen hierbij waren de individuele variatie die aan het principe
der selectie ten grondslag ligt, het optreden van nieuwe variaties, de mogelijkheid
van erfelijkheid van verworven eigenschappen en het mechanisme van de erfe-
lijkheid. Kuyper behandelt hieromtrent alle pogingen die in de vorige eeuw ter
verklaring hiervan zijn gedaan: Darwin's pangenesis-theorie (1868), Haeckel's
perigenesis-theorie (1876), Nageli's idioplasma-theorie (1884), de Vries' intracel-
lulaire pangenesis-theorie (1889) en Weismann's Keimplasma-theorie (1892), en
nog enkele variaties op deze beschouwingen. Daarbij concludeert hij terecht dat
deze verklaringen onvoldoende zijn, maar dat bovendien de destijds verworven
kennis langzamerhand het volhouden aan de door Darwin bepleite argumenten
ten gunste van de soortveranderlijkheid bemoeilijkte: „Vergeve Uw welwillend-
heid mij deze wat brede detailuitwerking. De zaak, die het hier geldt, is zo van het
uiterste gewicht voor de toekomst der Evolutie-leer, dat ik mij eer beschuldig van
te kort dan te uitvoerig te zijn geweest. Immers al droegen deze studiën over de
overerving daarin veel schone vrucht, dat ze ons tot in het verborgenste leven der
cel een veel meer samengestelde existentie deden kennen, dan dusver vermoed
werd, ze hebben het volstrekte onvermogen, om het feit der overerving mecha-
nisch te verklaren, in zo helder licht geplaatst, dat het niet te sterk gesproken is, zo
ik zeg, dat het monistisch mechanisme der gehele Evolutie-leer in haar Achilleshiel
er dodelijk door is getroffen. Ze kan het alles beheersende feit der overerving voor
de opbouw van haar kosmos niet missen, en op dat feit der overerving breekt haar
monistisch-mechanisme als een zeepbel".^''"
2.2.4. Kuyper behandelt naast de bovenstaande nog een aantal, wat minder be-
langrijke aspecten van de evolutie-theorie, zoals bv. het gebrek aan fossiel on-
dersteuningsmateriaal, de dubieuze functie van geleidelijk gevormde nieuwe li-
chaamsdelen (zoals vleugels) voordat zij volledig ontwikkeld zijn, en het feit dat
men nog nimmer een nieuwe soort heeft kunnen kweken. „Zo kon ik voortgaan de
stoet van bedenkingen nog in lange reeks voor U voorbij te voeren"."
266
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 januari 1980
Publicaties VU-geschiedenis | 602 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 januari 1980
Publicaties VU-geschiedenis | 602 Pagina's