Wetenschap en rekenschap - pagina 472
Een eeuw wetenschapsbeoefening en wetenschapsbeschouwing aan de Vrije Universiteit 1880-1980
G KUIPER HZN
DE SOCIOLOGIEBEOEFENING AAN DE VRIJE UNIVERSITEIT TUSSEN 1950 EN
1965
De periode is voor de V.U. erg belangrijk geweest door het „simpele" feit dat in
oktober 1955 officieel de opleiding in de sociologie en die in de politicologie in het
kader van het Academisch Statuut begonnen. Aan de economische faculteit waren
de hoogleraar R. van Dijk en de lector G. Kuiper Hzn en aan de juridische was de
hoogleraar J. de Jong verbonden: twee sociologen (Kuiper had aanvankelijk de
leeropdracht sociografie) en een politicoloog. Gezien de eis van instemming met
de grondslag der universiteit en de tot dan toe geringe belangstelling in Gerefor-
meerde en Orthodox Hervormde kring voor sociologie en politicologie was het niet
gemakkelijk een staf te vormen. Men kan gerust zeggen dat het een zware tijd was:
de drie genoemde docenten moesten overal hun universiteit vertegenwoordigen;
Van Dijk moest het Gereformeerd Sociologisch Instituut en Kuiper het Sociolo-
gisch Instituut van het Convent der Chr. Sociale Organisaties (Chr.Werkgevers,
C.N.V., C.B.T.B, en Chr. Middenstanders) leiden. De continuïteit van de opbouw
werd bovendien bedreigd doordat Van Dijk in 1962 bij een auto-ongeluk om het
leven kwam en enkele jaren daarvoor De Jong om persoonlijke redenen de
universiteit verliet. De laatste werd opgevolgd door G. Kuypers, voor de eerste was
toen geen opvolger te vinden. Van meet af heeft de opvatting bestaan dat socio-
logie, politicologie, niet-westerse sociologie en culturele antropologie in elk der
studierichtingen over en weer dienden voor te komen, een opvatting die aan de
Universiteit van Amsterdam eveneens bestond. Al spoedig kwam er een hoogle-
raar in de culturele antropologie (L. Onvlee) en enkele jaren later professor J.W.
Schoorl voor sociologie der niet-westerse gebieden. Hun komst maakte het ook
mogelijk gelijknamige studierichtingen in te stellen.
In de periode waarover we nu handelen is er een bescheiden publicitaire activiteit
geweest, waaraan uiteraard de zware belasting van de hoofdvakdocenten aan de
universiteit en daarbuiten een groot aandeel heeft gehad. Van Dijk, van oorsprong
indoloog en van beroep ambtenaar Binnenlands Bestuur van Nederlands Indië,
had reeds in zijn dissertatie over „Samenleving en adat rechtsvorming" blijk ge-
geven van zijn belangstelling voor de Wijsbegeerte der Wetsidee, zoals die aan
onze Universiteit door met name de hoogleraren VoUenhoven en vooral Dooye-
weerd werd ontwikkeld. Het is stellig te danken aan het feit dat deze filosofisch
geïnteresseerde man zo stevig geplant was in zo veel nuchtere maatschappelijke
activiteiten, dat de sociologie aan de Vrije Universiteit als vakwetenschap een kans
heeft gekregen: empirisch onderzoek achtte hij zeer belangrijk en als directeur van
het Gereformeerd Sociologisch Instituut heeft hij daarin ook een niet te verwaar-
lozen aandeel gehad. Evenals met H.G. Mead het geval was, heeft hij in zijn
colleges zijn studenten veel meegegeven; zijn publicaties „Mens en medemens"
(z.j.) en „Vrijheid en gebondenheid" (z.j.) zijn wel aangeduid met sociologisch
theologiseren of theologisch sociologiseren.""
466
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 januari 1980
Publicaties VU-geschiedenis | 602 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 januari 1980
Publicaties VU-geschiedenis | 602 Pagina's