Een vrije universiteitsbibliotheek - pagina 322
Studies over verleden, bezit en heden van de bibliotheek der Vrije Universiteit
In het verhaal komen we nu bij een „Cierlijk Paleys" (ed. 1684, blz. 65,
kanttekening). Bovenop ziet Christen enkele personen lopen; voor de
ingang staat „een groot geselschap van menschen/ altemaal soo 't scheen
seer begeerig/ om in te gaan/ doch zy en derfden niet" (blz. 65-66). Bij de
deur zit een man aan een tafel met een boek en een inktkoker om de namen
op te schrijven van de mensen die naar binnen willen gaan. Voor de ingang
staan ook een heleboel gewapende mannen om ieder die wil passeren zo
veel mogelijk letsel toe te brengen, ledereen deinst terug, behalve één man;
hij zegt tegen de pennevoerder dat hij zijn naam maar moet noteren. Hij
gordt zijn zwaard aan, zet zijn helm op en begint zich vechtend een weg
naar binnen te banen. Vergelijken we de aquarel (blad 13) met het verhaal,
dan blijkt dat ook hier Uitlegger en Christen, zij het iets minder duidelijk,
de kijker laten zien wat er gaande is. I.W. laat daarmee extra uitkomen dat
de allegorische betekenis ook en rechtstreeks hem geldt. In tegenstelling tot
het verhaal lopen er wel vijftien minuscule figuurtjes op het dak, maar er is
niets te zien van het „groot geselschap van menschen" voor de deur.
Wellicht houdt dit verband met de geringe ambachtelijke mogelijkheden
van onze zondagsschilder. Immers minuscule figuurtjes op een dak zijn
gemakkelijker te tekenen dan grotere figuren voor een gebouw. Op de
aquarel ontbreken ook de man aan de tafel en de held die zich „hackende
en snijdende seer furieuslijk" (blz. 66) een weg baant naar binnen. Bo-
vendien is het grote aantal gewapende mannen teruggebracht tot acht
houterige poppetjes, die er allesbehalve angstaanjagend uitzien. Het onder
de afbeelding staande vers is, hoewel enigszins aangevuld, uit de editie
1684 overgenomen. Omdat het in het verhaal betrekking heeft op de
vechtende man, slaat het in de aquarel nergens op.
In het voorlaatste tafereel (blad 14) wordt Christen binnengeleid in een
„seer duystere plaatse/ alwaar een man sat in een ysere Speloncke/ die'er
seer droevigh uyt sagh" (blz. 67).^^ Op een vraag van Christen antwoordt
hij dat hij „eens een Cierlijk en bloeyend belijder" was, maar nu „een
Mistroostigh mensch. . . en ick ben in dese ysere Speloncke als opgesloo-
ten/ ick kand'er niet uyt komen; og neen ik kan nu niet" (blz. 68). Maar je
kunt toch berouw tonen, zegt Christen, en je bekeren. Nee, zegt de man.
God weigert mij de bekering. Van de „ysere Speloncke" heeft I.W. een
soort keldergewelf gemaakt met een drietal getraliede („ysere"?) venster-
tjes, hoewel het woord „Spelonk" in het bijbehorende vers wordt gebezigd.
Het adjectief „ysere" vinden we niet, wellicht omdat hij daar geen raad
mee wist. De man zit op de aquarel aan een tafel met naast zich op de
grond een kan en een bord. Hij maakt veeleer de indruk Uitlegger en
Christen te begroeten dan aan wanhoop ten prooi te zijn.
Tenslotte (blad 15) leidt Uitlegger Christen een kamer binnen „alwaar'er
eene was/ die uyt sijn bedde opstont/ treckende sijn klederen aan/ welcke
seer trilde ende beefde" (blz. 70). Christen vraagt hem waarom hij zo beeft;
de man zegt dat hij van een vreselijk onweer heeft gedroomd, dat overging
in het Laatste Oordeel. Hij is daarbij door de Man op de wolken verwor-
306
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 januari 1980
Publicaties VU-geschiedenis | 410 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 januari 1980
Publicaties VU-geschiedenis | 410 Pagina's