Wetenschap en rekenschap - pagina 168
Een eeuw wetenschapsbeoefening en wetenschapsbeschouwing aan de Vrije Universiteit 1880-1980
M KUILMAN
bestuur een extra wakend oog wil houden over het reilen en zeilen van de kliniek,
in het bijzonder wanneer daarbij de christelijke wetenschapsbeoefening ter sprake
komt. Het bestuur zag het als zijn plicht toezicht uit te oefenen op de handhaving
en toepassing van de gereformeerde beginselen in „leer en leven". Met de gere-
formeerde belijdenis als precisering van de grondslag werd consequent gewezen
op de imperatief van een totale mensbeschouwing die zich niet kan verdragen met
een gereduceerd en materialistisch mensbeeld. In het licht van deze opvattingen
kan ook de beduchtheid van het bestuur verklaard worden voor de overwaarde-
ring van het experiment in de psychiatrie en de verleidingen voor de exacte
resultaten welke voortkomen uit de toepassing van de inductieve methode. De
soms bijkans opdringerige bezorgdheid van het bestuur wekt na zoveel jaren op
ons wellicht de indruk van enghartigheid, van een beperkte visie. Wij dienen
daarbij echter niet te vergeten dat die bezorgdheid blijkens de latere ontwikke-
lingsgang van de psychiatrie niet onterecht was, er moet met enige spijt worden
geconstateerd dat de wegbereiders niet in staat zijn gebleken om te voorkomen dat
de wegen elkaar zouden kruisen.
Wanneer Bouman in 1907 zijn intrede doet aan de V.U. heeft hij reeds een
respectabele wetenschappelijke carrière achter zich en veel publicaties staan op
zijn naam. Het is opmerkelijk dat zij voor een belangrijk deel betrekking hebben
op het aspect van het vak dat men tegenwoordig tot de organische, c.q. biologische
psychiatrie wil rekenen. Niettemin is hij zich bewust van het gevaar van de
annexatie van de psychiatrie door het materialisme, waardoor het morphologisch
substraat — de hersenen — zal worden verheven tot het laatste, beslissende en
onherleidbare gegeven. Toch valt het Bouman niet gemakkelijk om tot een posi-
tiebepaling te komen. Rümke merkt in dat verband op dat Bouman zich veel
moeite heeft getroost om „tot een synthese te komen tussen wereldbeschouwing en
wetenschap, een poging, die in het minder geslaagde werk tot een zekere kramp-
achtigheid aanleiding moge geven, in het dieper doordachte tot een voor ons land
ongewone wijdheid van blik voert. Hier ziet men dat een heftige actieve geest
worstelt om een inzicht dat altijd weer dreigt te ontglippen en dat altijd weer
opnieuw, in een rusteloos streven, wordt nagejaagd om toch nooit geheel bereikt te
worden . . . daar zien wij, bij ogenblikken, een waarlijk door zijn wetensdrang en
levensbeschouwing gekwelde. Wie dit niet ziet, ook niet wil, zal nooit tot een juist
oordeel over L. Bouman komen .. . Wilde zijn geest zich losmaken van het na-
tuurwetenschappelijk denken, onmiddellijk drong de angst de materie uit het oog
te verliezen, naar voren".
De belangstelling voor de fenomenologie van Jaspers vormt in het werk van
Bouman misschien een tegenwicht tegen zijn affiniteit tot de biologische benade-
ringswijze. Maar het is de vraag of hij daarmee de synthese heeft weten tot stand te
brengen die hij zozeer nastreefde. De fenomenologie zoals die bij monde van
Jaspers en vele anderen werd uitgedragen stelde zich weliswaar afwijzend op
tegenover een gereduceerd en materialistisch mensbeeld, maar tegelijkertijd de-
monstreerde zij een even grote terughoudendheid tegenover de christelijke we-
164
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 januari 1980
Publicaties VU-geschiedenis | 602 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 januari 1980
Publicaties VU-geschiedenis | 602 Pagina's