Wetenschap en rekenschap - pagina 137
Een eeuw wetenschapsbeoefening en wetenschapsbeschouwing aan de Vrije Universiteit 1880-1980
DE J U R I D I S C H E FACULTEIT (I88O-I980)
natuurlijk op uiteenlopende manier, alles tezamen genomen meer bekendheid aan
hun houding tegenover de Duitsers dan aan hun beoefening van de wetenschap
ontleende, was J. Oranje (1898-1946). Na het behalen van de meestertitel aan de
Vrije Universiteit in 1920 was hij vanwege zijn gezondheid jaren in Zuid-Afrika
werkzaam geweest en van 1926 tot 1927 in Den Haag op het Departement van
Arbeid, Handel en Nijverheid, om vervolgens tot 1940 het directiesecretariaat van
een onderneming in het zuiden des lands te vervullen. Op aanraden van Ger-
brandy had hij in spaarzame vrije tijd een dissertatie geschreven: Rights Affiliating
the Use of Broadcasting (1938), waarover zijn promotor zich zeer tevreden toonde.
In 1940 werd hij tot hoogleraar in het handelsrecht benoemd en inaugureerde over
Het karakter van de overeenkomst van levensverzekering. Hij ontkende het weder-
kerig karakter van die levensverzekering; dit was veeleer eenzijdig en voorwaar-
delijk, wat in deiwet behoorde te worden vastgelegd.
Op 22 september 1943 werd hij rector magnificus der Universiteit waar geen
college meer vanaf 12 april werd gegeven en al evenmin tentamens werden
afgenomen. Een rectorale oratie heeft hij niet uitgesproken. In 1945 herdacht hij in
besloten zittingen van de senaat eerst hen, die al dan niet gewelddadig aan hun
eind kwamen en naderhand de in gevangenschap gestorven Rutgers. Na de be-
vrijding opende hij de lessen, gevallen studenten, ook uit de juridische faculteit,
ontroerd erend op 25 juni 1945. Het rectoraat droeg hij 19 september van dat jaar
over en werd terstond daarop in het ziekenhuis opgenomen; hij is niet meer
hersteld en overleed op 6 april 1946. Het is nagenoeg zeker dat hij zichzelf in de
oorlogsjaren heeft opgebrand.
Het zou in strijd met de waarheid zijn te beweren, dat hem, die een vrij militante
aard bezat, de worsteling met de Duitsers mishaagde. Hij leidde graag, kon zich
geweldig opwinden als hij zag dat iets verkeerd zat — ik denk dat die verontwaar-
diging en zelfs ergenis een bezinksel zijn uit ervaringen gedurende de Philipstijd:
een directiesecretaris kreeg het niet voor het zeggen — hij was gewoon recht door
zee te gaan, verstond in het zakelijke vlot de kunst van optreden, was dapper en
minde actie en agitatie. Er woonde in hem een drang tot helpen. Of hij voor
zichzelf bijstand gaarne aanvaardde is een tweede, want domineren zat hem in het
bloed. Hij bezat iets manhaftigs, dat op jongeren indruk maakte. Er ging ook een
zekere vaderlijkheid van hem uit.
Bovendien, niemand bijna stelt domweg zijn leven in de waagschaal. Zeker doet
zulks geen mens met gezond verstand, dat Oranje in zeer bevredigende mate en
zelfs meer dan wetenschappelijke begaafdheid het zijne kon noemen. Hij be-
schouwde gedurende de bezetting het nemen van risico's als plicht; in afwijking
van Rutgers hetgeen hij zichzelf oplegde, ook van anderen eisend. De universiteit
was gesloten maar hij organiseerde de instandhouding van het werk. Kon er alleen
tot voortzetten van studie worden aangespoord, met het scheppen van mogelijk-
heden om clandestien tentamen en examen af te leggen stond het anders. Datgene
wat georganiseerd kon worden zette hij ook metterdaad op. Het gebrek aan
universitaire eenheid en de slapheid van tal van docenten was hem een doorn in
133
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 januari 1980
Publicaties VU-geschiedenis | 602 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 januari 1980
Publicaties VU-geschiedenis | 602 Pagina's