Wetenschap en rekenschap - pagina 498
Een eeuw wetenschapsbeoefening en wetenschapsbeschouwing aan de Vrije Universiteit 1880-1980
C. S A N D E R S / L . K. A. EISENGA
meer psychologische facetten van de kandidaat (Van Ginneken, 1925), maar hoe
dat zou moeten gebeuren bleef min of meer onduidelijk.
Waterink's stellingname was nu dat de oplossing voor het falen van de func-
tie-gerichte aanpak niet gezocht moest worden in een uitbreiding daarvan naar
ook de psychische functies, maar in een geheel andere aanpak waarin de unieke
persoonlijkheid van ieder individu centraal stond. Evenals voor Bavinck was voor
hem de mens een in-dividuum, waaraan weliswaar verschillende aspecten of
functies onderscheidbaar waren, maar nooit scheidbaar of los te koppelen van het
concrete leven: „De vraag, of iemand geschikt is voor een beroep is een kwestie van
totale persoonlijkheid. Immers, als ik vraag: „wat is nu in het leven werkelijk het
knooppunt van elk economisch probleem?", dan is het antwoord: de mens. De
mens is het knooppunt. Het eerste probleem voor ons welzijn is het probleem van
de volledige mens en de vraag of iemand op de juiste plaats staat, is afhankelijk
van de mens in zijn totaliteit" (1950, p. 59, 61). Vandaar dat het psychotechnisch
onderzoek zich weliswaar ook moest richten op het geheel van fysische en psy-
chische vaardigheden van de kandidaat, maar toch in de eerste plaats op „zijn
streven, zijn verantwoordelijkheidsgevoel, zijn betrouwbaarheid, zijn vermogen
om zich aan te passen en zich te schikken, zijn liefde voor de zaak, zijn omgang met
meerderen, met gelijken en met minderen. Niet door gebrek aan capaciteiten,
maar door karakterfouten zijn de meeste mensen mislukt. Niet omdat zij hun werk
niet kunnen doen, maar omdat zij door hun karakterstructuur het niet (goed)
doen".
Maar dit was slechts één kant van de zaak. Want waarop hij ook sterk de nadruk
legde was dat ieder individu deel uitmaakte van een gemeenschap, waaruit het al
evenmin op straffe van onbruikbare adviezen isoleerbaar was. Dit hield niet alleen
in dat men bijv. niet een typische Rotterdammer als chef in een Twents bedrijf
moest plaatsen, maar ook dat men als werkgever verantwoordelijk was voor de
persoon van zijn werknemers: „Ook de werkgever staat voor het probleem van de
verantwoordelijkheid voor de persoonlijkheidsontplooiing, van zichzelve en van
zijn mensen . . . in de zin dat hij deze mensen heeft te leiden in hun dagelijks werk,
met hen heeft om te gaan en mede verantwoordelijk gesteld is voor de wijze
waarop zij in zijn bedrijf de kans krijgen om de gaven die zij van God ontvingen, te
ontplooien. Personeelsselectie betekent, dat wij in het levende organisme van ons
bedrijf... een nieuwe mens opnemen; een nieuwe mens, wiens gaven en kundig-
heden wij in het bedrijf gebruiken moeten, maar wiens persoonlijkheid, karakter,
neiging, enz., we ook in het bedrijf niet alleen moeten aanvaarden, maar zelfs
zoveel mogelijk tot hun recht moeten laten komen" (o.c, p. 50).
Vraagt men echter hoe Waterink deze persoons-gerichte benadering in de praktijk
concreet gestalte gaf, dan stuit men opnieuw op het door Wielenga gesignaleerde
gegeven dat hij weliswaar een perspectief op de psychologie had maar dit niet
vertaalde in een tastbare vorm. In zijn praktisch werk was hij de verpersoonlijking
van zijn eigen opvattingen, namelijk dat het in de psychologie om mensen ging en
niet om methoden, procedures of getallen. Dit betekende niet dat hij geen tests
492
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 januari 1980
Publicaties VU-geschiedenis | 602 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 januari 1980
Publicaties VU-geschiedenis | 602 Pagina's