Wetenschap en rekenschap - pagina 551
Een eeuw wetenschapsbeoefening en wetenschapsbeschouwing aan de Vrije Universiteit 1880-1980
H O N D E R D JAAR FILOSOFIE AAN DE VRIJE UNIVERSITEIT
met deze Logos-speculatie stellig ook een zeker intellectualisme om de hoek
kijken, in deze zin namelijk dat hij soms uitging van de „thomistisch-calvimstische
leer" van het primaat van het intellect in God en in de mens (ET 31, 17) en dat hij
dan bovendien de stoicijns-scholastische leer ging verdedigen van de lex naturalis,
de natuurlijke zedewet, die zou zijn ingeschapen in de redelijke natuur van de
mens en verankerd zou zijn in de lex aeterna, dit is de wet die voortvloeit uit Gods
redelijke natuur en die door Hem van eeuwigheid heette te zijn uitgevaardigd met
het oog op Zijn idee van de mens (ET 19)
Een scholastische wijze van denken' Toch staan hier positieve punten tegenover
Allereerst krijgt men de indruk dat Geesink dit scholastieke intellectualisme in
voorkomende gevallen slechts bijviel bij gebrek aan beter Aan het zogenaamde
voluntarisme (de leer van het wilspnmaat in God en mens conform het middel-
eeuwse nominalisme) zijn namelijk, zo zegt hij ergens, „nog grootere bezwaren
verbonden" omdat het tot de conclusie leidt, dat Gods geboden voort zouden
komen uit goddelijke wiUe-keur (ET 43) En God staat weliswaar boven de wet die
hij aan zijn schepsel oplegt, toch heerst bij Hem geen despotische willekeur Met
Calvijn en Voetius leert Geesink, dat God trouw is aan zichzelf en zich aan zijn
verordeningen bindt „deus est sibi lex"{WOlbl), 17, ET 46) Voorts dient men te
bedenken dat Geesink er tegenover Rome onverkort aan vasthield, dat de men-
selijke natuur bedorven is Voorzover er sprake is van een natuurlijke zedewet in
het bewustzijn van ieder mens, dan is deze toch slechts vrucht van gratia commu-
nis, dit IS van Gods genade, niet van menselijke verdienste (ET 34, 27, 68) En
tenslotte blijkt uit alles, dat Geesink ook de wetten voor het zedelijk leven uitein-
delijk met ophangt aan de redelijk-zedelijke natuur van de mens maar aan de
soevereiniteit van God De zedewet is evenals alle natuurwet „allereerst de ordi-
nantie van onzen Schepper" "
In dit verband moet Geesinks kritiek gememoreerd op de oude gereformeerde
ethiek, die onder invloed van het puritanisme de religieuze verhouding tussen God
en mens te uitsluitend als een rechtsverhouding had gedacht, te weinig als een
liefdesbetrekking tussen Vader en kind Geesink stelt wel de relatie
God-wet-kosmos (waarin de wijsbegeerte der wetsidee hem later zou volgen),
maar tevens benadrukt hij haar eenzijdigheid Het is zijns inziens nodig, dat de
gereformeerde ethiek zich van haar „nomistisch karakter" ontdoet (ET 65-67)
Het levenswerk van Geesink is zijn Gereformeerde Ethiek geweest, posthuum
uitgegeven door Hepp (1931) Dat Geesink in deze ethiek de facto weinig ver-
nieuwend is bezig geweest, komt mijns inziens voornamelijk, omdat hij zich in zijn
wijsgerige psychologie en mensbeschouwing nog bewoog langs de lijn van de
traditionele gereformeerde theologie en ethiek (Voetius), zonder zich te realiseren
hoezeer deze sedert Th Beza weer waren opgericht op de grondslagen van de
aristotelische logica en metafysica Anstotelisch-thomistische ideeën omtrent de
mens werden zodoende ingedragen in de bijbel en de bijbel dienovereenkomstig
weer uitgelegd De „tweeheid" van ziel en lichaam werd aangeduid als „het
dualisme van de Schrift" en vervolgens onproblematisch geïnterpreteerd als de
545
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 januari 1980
Publicaties VU-geschiedenis | 602 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 januari 1980
Publicaties VU-geschiedenis | 602 Pagina's