Een vrije universiteitsbibliotheek - pagina 346
Studies over verleden, bezit en heden van de bibliotheek der Vrije Universiteit
zij, als ge met kracht tegenstand biedt zal ze wel wijken" (9-4-81).
Deze brief heeft diepe indruk op Julius gemaakt. Hij antwoordt:
„Geëerbiedigde Bruid. Na uw roerend lieven brief van 9 April gelezen te
hebben durf ik geen anderen titel u te geven dan geëerbiedigde! En ik
schroom haast op dien briefte antwoorden zooals mijn ondankbaar hart
mij ingeeft. Ik ben geneigd om te zeggen „omdat Lijsje mij verzekert dat ik
een zendeling ben van God geroepen zal ik geloovig Amen zeggen; maar
de eerlijkheid die zelfs boven de ridderlijkheid moet geschat worden wei-
gert dat Amen uit te spreken „omdat het dan in mijn ziel zou luiden Juul
Esser, prediker des Evangelies geroepen van Eli"...
En nu uw verhaal, waarin gij mijn roeping duidelijk maakt. Ware uwe
lezing de ware en volledige, zij zou het bewijs geleverd hebben, maar
vergun mij de ware en volledige lezing aan te bieden en gij zult het zelf
betwijfelen... „Een kleine jongen voelt zich niet heel gelukkig. Hij kan niet
zooals andere kinderen recht vroolijk zijn, omdat hij een onbeschrijfelijk
eigenlievend hart heeft en een door verbeelding overprikkelde begeerlijk-
heid; hij voelt zich niet recht gezond grootendeels door eigen schuld
ziekelijk en zenuwachtig geworden, en ook dikwijls eenzaam en verlaten en
geen wonder want al de liefde zijner moeder beantwoordde hij met de
gemeenste brutahteit en toen zij hem vroeg ontnomen en zijn vader verre
van hem verwijderd was, had hij door zijn drenserig humeur en zelfzuch-
tige hebbelijkheden het liefhebben van zulk een kind voor anderen uiterst
moeilijk gemaakt. Hij wil wel tot den Heiland gaan die kinderen tot zich
roept en ze zegent en doet het half omdat hij bang is voor de hel waar hij
overtuigd is regelrecht heen te gaan. Hij moet bekennen maar bekent
daarom niet dat hij knorrig, onplezierig is, maar houdt integendeel zijn
naar creatuurtje voor een miskend engeltje; hij kan er niet van onderuit-
komen en toch daarbinnen klopt het hartje wel, want soms verlangt hij zoo
erg naar moeder om schuld te bekennen en vergeving te vragen. Hij is als
een zwak boompje, dat zich inbeeldt heel wat waard te zijn, en krachtig
genoeg van hout om iets bizonders te worden in de wereld. Dit maakt hem
ontevreden hoewel hij nogal in een goed hoekje van den hof staat — Dit
jongske wordt gedoopt^** en begint toen te begrijpen dat het meenens is als
hij de zonden wil laten en den Heer dienen. Hij heeft een soort van vrome
opwelling, aangespoord door de begeerte zijns vaders en voortspruitend uit
zijn verbeelding en eerzucht om iets bizonders te zijn, die hem doet ver-
tellen dat hij zendeling wil worden, hetgeen door welmeenende doch
onverstandige familieleden wordt toegejuicht. Hij wordt grooter en gaat
naar de Akademie, om op raad van Papa theologie te studeeren. Voor dien
tijd was hij echter op een Kristelijk Gymnasium geweest waar een revival
was, en waar het geslingerd hart als in een hemel van rust verkeerende zich
inbeeldde waarlijk nu bekeerd te zijn voor goed, en de reeds meermalen
uitgesproken wensch om zendeling te worden, ook door omgang met
zendelingszonen die wonderen van Insulinde verhaalden, tot een soort van
enthousiasme opgezweept. Hij was toen zestien jaar. . . Dat jongmensch
330
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 januari 1980
Publicaties VU-geschiedenis | 410 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 januari 1980
Publicaties VU-geschiedenis | 410 Pagina's