Wetenschap en rekenschap - pagina 300
Een eeuw wetenschapsbeoefening en wetenschapsbeschouwing aan de Vrije Universiteit 1880-1980
J . R VAN DE FLIERT
mede gezien de aantallen studenten in verhouding tot andere studierichtingen.
Die vrees wordt bewaarheid wanneer eind 1965 de bij geologen berucht geworden
brief van de dan zittende Minister van Onderwijs, mr. I.A. Diepenhorst, aan de
Academische Raad wordt verzonden, waarin wordt gewezen op de noodzaak van
concentratie en taakverdeling. Volgens deze brief geldt de concentratie uitsluitend
de Rijksuniversiteiten en de Universiteit van Amsterdam. De Vrije Universiteit
wordt vanwege haar bijzonder karakter in eerste instantie buiten schot geplaatst.
Maar daarmee is dan een zware knuppel in het hoenderhok gegooid. Voelde men
zich in de eerste jaren van de V.U. „tot blozens toe verlegen" met de naam
„universiteit", in een wat andere situatie voelden toch iets dergelijks zeker ook de
geologen van de V.U. in het midden van deze jaren zestig in de positie waarin zij zo
— overigens op grond van de grenzen van de ministeriële bevoegdheden waar-
schijnlijk volkomen terecht — werden geplaatst. Maar even duidelijk was dat het
juridisch gelijk nog lang niet altijd als recht en billijk wordt geaccepteerd en dat,
tot op zekere hoogte begrijpelijk, een storm van verontwaardiging opstak en een
karikatuur van „calvinistische geologische wetenschapsbeoefening" in de lande-
lijke pers weer opgeld deed.
Ondertussen stond daarmee de Vrije Universiteit en stonden in het bijzonder de
docenten in de geologie aan de Vrije Universiteit voor een zeer ingrijpende
beleidsbeslissing ten aanzien van de eigen vrijheid van wetenschapsbeoefening in
het kader van de landelijke universitaire ontwikkelingen. Mocht de Vrije Univer-
siteit, met 100% subsidie (in zicht), zich op deze wijze buiten schot laten stellen en
in dit „isolement" zijn kracht gaan zoeken, óf moesten zij zich — uiteraard niet los
van de pretentie en doelstelling van de Universiteit — met de zustersubfaculteiten
solidair verklaren? Ondanks de ernst van de beslissing werd niet lang geaarzeld en
werd met overtuiging gekozen voor het standpunt dat de Vrije Universiteit zich
niet op grond van haar bijzonder karakter aan een eventueel nationaal noodza-
kelijke concentratie en taakverdeling en het overleg daarover zou mogen onttrek-
ken. Wel meende men daarbij te mogen verwachten dat met het bijzonder karak-
ter van de Vrije Universiteit en de rechten en vrijheden waarop zij juridisch
aanspraak mocht maken, door de anderen zoveel mogelijk rekening zou worden
gehouden. Hoewel niet vergeten mag worden dat de Vrije Universiteit in A.J.
Wiggers over een bekwaam onderhandelaar beschikte, mag met voldoening wor-
den genoteerd dat de V.U. in die verwachting niet is teleurgesteld en dat loyaliteit
van de ene ook met loyaliteit van de andere zijde werd beantwoord.
Het heeft evenwel vele jaren geduurd voordat het interuniversitair overleg tot een
overeenkomst leidde die ook door het Ministerie werd aanvaard. Na een jaren-
lange benoemingsstop, die nu ook voor de V.U. zijn gevolgen had, werd ten slotte
in 1971 voor een periode van tien jaar een interuniversitaire samenwerkingsover-
eenkomst afgesloten. Daarbij zouden twee volwaardige geologische concentraties
ontstaan; een grotere in Utrecht, maar die dan tevens met onderwijs- en onder-
zoektaken op de gebieden geofysica en geochemie belast zou worden, en een
kleinere in Amsterdam. Leiden en Groningen zouden daarnaast zeer beperkte
294
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 januari 1980
Publicaties VU-geschiedenis | 602 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 januari 1980
Publicaties VU-geschiedenis | 602 Pagina's