Wetenschap en rekenschap - pagina 111
Een eeuw wetenschapsbeoefening en wetenschapsbeschouwing aan de Vrije Universiteit 1880-1980
DE J U R I D I S C H E FACULTEIT (1880-1980)
onderwerpen. Van een natuurrecht als goddelijk recht is niet goed te spreken.
Wanneer God onmiddellijk wil heersen, bestaat er geen aan het aards gezag
ontsproten regeling en de rechtsorde komt eerst in en door de menselijke samen-
leving tot stand.
Kenmerkend voor Fabius is zijn leerstellig conservatisme dat hij beurtelings in de
verdediging en in de aanval, dankzij een brede belezenheid redelijk overeind
houdt. Groen van Prinsterer, diens afkeer voor revolutie en eerbied voor het gezag
delend, volgt hij steeds; soms is hij waarschijnlijk tengevolge van niet zo om-
vangrijk historische kennis steiler dan de leermeester. Ook de opvattingen die
Kuyper voordraagt onderschrijft hij zolang ze zich beperken tot theologie en
ethiek. Met Stahl stemt hij in voorzover bij deze geen lutheranisme wordt ver-
moed. Met Franse schrijvers, zoals Joseph de Maistre, de Bonald, de Montalem-
bert, Guizot, wil hij zich verenigen, het waarderend dat ze zich in één de revolutie
misprijzende zin uitlaten. Nauwelijks hoog genoeg kan zijn afkeer voor het Franse
gebeuren van 1789 en volgende jaren, dat hij als exemplarisch voor iedere onder-
mijning van de rechtsorde beschouwde, worden aangeslagen. Hij laat zich hier in
de eerste plaats door zijn religieus-ethische gevoelens leiden, van de wijsbegeerte
te weinig verstand hebbend om een werkelijk zijn tegenstanders rakende gezags-
leer te ontwikkelen. Met af en toe naïef schriftbewijs, ondanks zijn pogen voor-
zichtig te zijn, droeg hij terzake van het poenale recht de prima vista goed bij de tot
dusver geijkte christelijke opvattingen passende vergeldingsplicht voor, welke
rustte op een gerechtigheid handhavende overheid. Van de nieuwlichterij der door
G.A. van Hamel in ons land vooral bepleite, zich om de dader en zijn vaak
hachelijke omstandigheden bekommerende moderne richting, moest hij niets
hebben. Voor en na verdedigde hij de doodstraf, soms van het sofistisch argument
gebruik makend dat aldus de veroordeelde voor toekomstige vergroting van zijn
schuld bewaard bleef. Voorwaardelijke veroordeling daarentegen, verzachting
van het gevangenisregime — met de uitwas van ingelegde vruchten als voedsel aan
de gedetineerde verstrekt — keurde hij fel af.
Alsof er sedert Groen van Prinsterer niets in het maatschappelijk leven veranderd
was, verzette hij zich tegen de uitbreiding van de staatszorg op sociaal gebied.
Geen verplichte verzekering, geen wet op het arbeidscontract, geen beperking van
de werkdag van tien tot acht uur, geen winkelsluiting, geen vaccinatiedwang, geen
leerplicht, geen subsidiëring van de bijzondere school, geen dwaasheden als zou de
roeping der vrouw niet in de eerste plaats binnenshuis zijn gelegen. Hij vond het
onderscheid der standen waardevol, was misschien mede daarom ook als regel
tegen algemeen kiesrecht en uitte beduchtheid voor vrijpostigheden van het ge-
wone volk, waarvoor hij tegelijk meende veel te voelen met name als het zijn
geestverwanten betrof. Daarnaast zijn er meer populaire geschriften zoals Huis-
kamer en keuken (1877); ook bood hij een over jaren (1909-1924) zich uitstrek-
kende reeks Studiën en schetsen. Werkelijk van alles heeft hij als een soort publiek
zedemeester optredend overhoop gehaald — de inrichting van het woonvertrek,
aangename winterkost — en dat terwijl het „ploertige" hem naar eigen zeggen
107
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 januari 1980
Publicaties VU-geschiedenis | 602 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 januari 1980
Publicaties VU-geschiedenis | 602 Pagina's