Wetenschap en rekenschap - pagina 554
Een eeuw wetenschapsbeoefening en wetenschapsbeschouwing aan de Vrije Universiteit 1880-1980
J KLAPWIJK
een scholastieke accomodatieleer terecht te komen!
Ook in zijn wetenschapsbeschoiiwing verschilt Bavinck van Kuyper. Men zou
kunnen zeggen, dat wat voor Kuypfr de afsluiting van zijn kritisch realisme was, te
weten het ideeën-realisme en de augustijns-scholastische Logos-leer, voor Bavinck
evenals voor Woltjer juist uitgangspunt is (CWb 32, 55, 27). Weliswaar verzette
Bavinck zich na zijn inaugurele rede in Kampen (1882) uit vrees voor het carte-
siaans rationalisme meer dan eens tegen de leer van aangeboren ideeën
(GD I 197). Toch houdt hij vast aan „eeuwige waarheden" in ons denken
(GD I 198, WO 65), die met de werkelijkheid buiten ons corresponderen en geeft
hij het middeleeuwse realisme en de Logos-leer gelijk: de dingen zijn kenbaar voor
de menselijke geest, omdat ze in een goddelijke gedachte rusten
(GD I 204-207, CWb 27, 55). Van een „kritisch" realisme als bij Kuyper kan on-
dertussen nauwelijks sprake zijn, beter van een ,,na'ief' realisme: Onze voorstel-
lingen heten „eene getrouwe, ideale reproductie" van de voorwerpen buiten ons
en onze begrippen blijken ,,in overeenstemming" met de werkelijkheid te zijn
(GD I 202, 205).
Wijsbegeerte der Openbaring
Zoekt Bavinck naderhand met name in zijn Wijsbegeerte der openbaring toch
aansluiting bij de nieuwere filosofie dan doet hij dit eerder bij de romantische
filosofie van Schleiermacher dan bij de kritische filosofie van Kant. En dat niet
alleen vanwege diens romantisch-organologische werkelijkheidsbeschouwing
(CWb 65) of omdat Schleiermacher religie en geloof in het menselijk bewustzijn
een eigen, zelfstandige plaats toekende (KL 149). Schleiermacher is voor Bavinck
vooral van belang, omdat hij het menselijk bewustzijn niet verhief tot redelijk-ze-
delijke autonomie, maar stempelde als volstrekt afhankelijkheidsgevoel (dat bij
Schleiermacher overigens als bewust afhankelijkheidsgevoel de vrijheid invol-
veerde). Bavinck nu meent dit afhankelijkheidsbesef zo te mogen uitwerken, dat
,,in het zelfbewustzijn God den mensch. de wereld en zichzelven aan de mensch
bekend (maakt)". Er is sprake van een „bekendmaking", omdat in alle verschijn-
selen van de werkelijkheid het andere, ja, de Ander mij verschijnt (WO 66, 180).
Zo komt bij Bavinck het begrip „openbaring" centraal te staan. Hierbij moet wel
worden aangetekend, dat Bavinck anders dan de romantiek aan deze goddelijke
openbaring een duidelijk transcendente oorsprong toekent (WO 14).
Met dit al heet openbaring fundamenteel niet alleen voor geloof en religie, maar
evenzo voor de algemene wijsbegeerte. Ik geef toe, in eerste instantie lijkt de
openbaring bij Bavinck als filosoof slechts aan bod te komen in de godsdienstülo-
sofie: Bavinck introduceert zijn „wijsbegeerte der openbaring" als een wijsbe-
geerte van de godsdienst, staande naast die van de geschiedenis, de kunst enzo-
voort (WO 21). In een handomdraai maakt hij „revelatie" echter tot een sleutel-
woord dal toegang verschaft tot de filosofie in het algemeen en dan met name tot de
548
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 januari 1980
Publicaties VU-geschiedenis | 602 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 januari 1980
Publicaties VU-geschiedenis | 602 Pagina's