Wetenschap en rekenschap - pagina 541
Een eeuw wetenschapsbeoefening en wetenschapsbeschouwing aan de Vrije Universiteit 1880-1980
V-iiSi
HONDERD JAAR FILOSOFIE AAN DE VRIJE UNIVERSITEIT
tot gelding te brengen. Vooral in deel II van zijn Encyclopaedie greep Kuyper op
deze zienswijze terug. Dit geschiedde, zoals nog zal blijken, mede onder invloed
van zijn collega Woltjer (EG II 144)
Alle dingen gaan, voorzover ze in wetmatige relaties functioneren, terug op de
realiteit van universele ideeën, die voortbrengsel zijn van een goddelijk denksub-
ject, zo stelt Kuyper hier. Had hij tevoren het logisch-wetenschappelijk denken
nog aangemerkt als een eigen kring naast andere kringen, ingevoegd in de veel-
kleurige rijkdom van de schepping op grond van Gods ondoorgrondelijke soeve-
reiniteit als Schepper, thans wordt heel de wereld, voorzover niet stoffelijk van
aard, gelogificeerd: overal zijn logische ideeën in het spel, denkproducten van de
Goddelijke rede. De menselijke rede zou van deze goddelijke rede een afspiege-
ling zijn. Als wij ons de wetmatige betrekkingen van deze kosmos indenken, doen
wij dan niet anders, zo merkt Kuyper op, „dan nadenken de gedachte, waardoor
het Subject, dat deze relation in het leven riep, ze bepaald heeft". Hij formuleert
het ook zo, dat „de kosmos, als kosmos, in zijn gezamenlijke momenten logisch
bestaat, en in dit logisch bestaan vatbaar is, in onze denkwereld te worden opge-
nomen" (EG II 23, 24). De vraag dringt zich op: Is de creatuurlijke orde hier niet
samengeknepen tot logisch universum? En ook: Is de mens hier niet samengevat
als redelijk wezen? Reformatie en scholastiek verdringen elkaar.
Om de eenheid van de mens
Ook in zijn mensbeschouwing heeft Kuyper er blijk van gegeven nog aan te leunen
tegen de scholastiek. De scholastiek kende een dualistische antropologie: de mens
— nog afgezien van de eerder gememoreerde bovennatuurlijke genadegift — werd
opgevat als een samenvoeging van twee incomplete en dus op elkaar aangewezen
substanties, te weten ziel en lichaam. Hierbij werd de ziel onsterfelijk geacht, door
God afzonderlijk geschapen en in het lichaam ingeplant (psycho-creatianisme).
Zij zou als anima rationalis, dit is als redelijke ziel, de substantiële vorm van het
materiële lichaam zijn. In het logisch denkvermogen school met andere woorden
de eigenlijke wezenskern van de mens.
Kuyper beweegt zich in deze scholastische lijn, wanneer hij gewaagt van ons
„dichotomisch bestaan als deels somatische, deels psychische wezens" en als hij de
mens elders duidt als een deels „lichamelijke", deels „logische verschijning".' Een
en ander geschiedde niet terloops! Kuypers indeling van de academische weten-
schappen in vijf faculteiten in zijn Encyclopaedie is overeenkomstig de traditie op
dit psycho-somatisch dualisme gebaseerd (EG II 163).
Toch lijkt me deze scholastieke mensvisie op gespannen voet te verkeren met
Kuypers reformatorische grondovertuiging inzake de radicale verdorvenheid van
de mens. Of Kuyper zou al van mening moeten zijn geweest, dat de zondeval
ontsprongen is aan de menselijke rede. Een ongehoorde opvatting! In de scholas-
tieke filosofie placht men de bron van het kwaad immers niet te zoeken in de rede.
535
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 januari 1980
Publicaties VU-geschiedenis | 602 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 januari 1980
Publicaties VU-geschiedenis | 602 Pagina's