Een vrije universiteitsbibliotheek - pagina 57
Studies over verleden, bezit en heden van de bibliotheek der Vrije Universiteit
Toch betekende het aantrekken van een tweede assistent met de ver-
bouwing van 1924 en het binnenkomen van de bibliotheken van Bavinck
en Rutgers, dat het beleid nog onder Breen werd omgebogen. In 1926 stelt
Breen voor om de twee nieuwe assistenten tijdelijk aan te stellen omdat hij
spoedig een voltijdse kracht in dienst wil nemen. Kort na zijn dood zou die
voltijdse medewerker aangetrokken worden.
Van het belangrijke jaar 1924 verschijnt op verzoek van Directeuren een
afzonderlijk Bibliotheekverslag. Sinds dit verslag van Breen is elk jaar het
jaarverslag van de bibliotheek afzonderlijk gepubliceerd in het Jaarboek
van de Vrije Universiteit. Dat met dit jaarverslag tevens een beleidsinstru-
ment aan de bibliothecaris werd gegeven, blijkt uit de kritische toon van
Breen en de toevoeging van een P.S. van Directeuren. Breen schreef in zijn
verslag, dat op 22 april 1925 is gedateerd:
„Jarenlang heb ik aangedrongen op de aanwijzing eener Commissie uit den Senaat voor
de bibliotheek, doch feitelijk is daarvan nooit iels gekomen Ook zou het gewenscht zijn
een bepaalde som voor aankoop uit te trekken Thans wordt zoo nu en dan iets aange-
schaft, zonder dat een vast bedrag in het oog kan worden gehouden"
In het P.S. bij dit jaarverslag wordt vermeld „dat Directeuren met den
Senaat in correspondentie zijn, teneinde te geraken tot oplossing van de
vraag hoe de bibliotheek van de Vrije Universiteit het beste tot ontplooiing
is te brengen".
Al eerder werd verteld dat de Bibliotheekcommissie eindelijk tot stand
kwam juist vóór dat Breen ziek werd en stierf. Achter het tot stand komen
van de Bibliotheekcommissie zat de wens van de hoogleraren Van Schel-
ven, Pos en Goslinga en docent Wille om vier seminarie-bibliotheken in te
mogen richten. Ze vragen voor de inrichting daarvan ƒ 1.000,— tot
ƒ 2.163,— en voor de jaarlijkse uitgaven ƒ 400,— tot ƒ 776,—. Directeuren
overwegen wel om meer geld uit te geven maar slechts op voorwaarde van
de instelling van een Bibliotheekcommissie en een goede regeling van de
voorgestelde ontwikkelingen. Breen accepteerde het principe van semina-
rie-bibliotheken, maar slechts als ze beperkt in omvang zouden blijven en
onder toezicht van de centrale bibliotheek gesteld zouden worden.
Hoe nauw Directeuren toezien op een strakke regeling blijkt als Breen
op 10 maart 1926 schrijft dat Wille ook een seminarie-bibliotheek wenst.
„In afwachting van regeling daarover verzoek ik U mij te machtigen de
meest nodige boeken aan te schaffen tot ƒ 500,—", schrijft Breen.
De Penningmeester-Secretaris van Directeuren schrijft daarop 15 maart
1926 onderhands aan prof.dr. A. Goslinga:
„Het spijt mij, dat Dr Breen aan Directeuren met een brief heeft geschreven overeen-
komstig onze afspraak Hij heeft zich nu tot Directeuren gewend, om in afwachting van de
nadere besluiten voor de Seminar-bibliotheek te mogen beschikken over ƒ 500,— omdat
Prof Wille de boeken nodig had
Directeuren meenden, dat deze aanvraag met voor inwilliging vatbaar was, immers men
verwacht nog altijd rapport Ik begrijp niet waarom Dr. Breen, als er boeken noodig zijn,
41
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 januari 1980
Publicaties VU-geschiedenis | 410 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 januari 1980
Publicaties VU-geschiedenis | 410 Pagina's