Wetenschap en rekenschap - pagina 336
Een eeuw wetenschapsbeoefening en wetenschapsbeschouwing aan de Vrije Universiteit 1880-1980
G . J . DE VRIES
invloed uitgeoefend. En ongetwijfeld stelt het werken in het kader van een alge-
mene literatuurwetenschap telkens weer voor vragen naar de fundering van ons
bedrijf.
EEN EIGEN KARAKTER?
De redactie van deze bundel wenst de vraag beantwoord te zien, in hoe verre
binnen een faculteit „de pretentie van de universiteit gerealiseerd is"; dat wil
zeggen, in hoe verre ons werk een specifiek karakter vertoond heeft. J. Woltjer zou
hierop waarschijnlijk een uitvoerig antwoord gegeven hebben. Hij heeft in een
oratie verklaard: „waar ik dus van ganscher harte de gereformeerde beginselen
belijd . . . en er naar streef die beginselen bij mijn onderzoek, zoowel als bij mijn
lessen, voortdurend toe te passen . . . " ; in verscheiden toespraken en verhande-
lingen heeft hij dit willen tonen.
Nog in 1949 heeft Sizoo zich geheel in de geest van Woltjers woorden uitgelaten.
Maar van degenen die na 1950 in onze sectie gewerkt hebben zullen zeker niet
allen bereid zijn ze volledig voor hun rekening te nemen.
Bij het nadenken over deze kwesties vergete men vooral niet dat de kern van ons
bedrijf gevormd wordt door de interpretatie van teksten. Wanneer de filoloog
daarbij de bewering a = b ontmoet, stelt hij zichzelf niet allereerst de vraag, of
inderdaad a = b; hij wil weten, of de auteur P werkelijk de uitspraak gedaan,
respectievelijk gemeend heeft en wat hem tot die uitspraak heeft kunnen brengen.
Eventueel ook, of Q al dan niet gedacht of gezegd heeft dat P de uitspraak a = b
voor juist gehouden heeft. De interpreet moet de tolk zijn van de auteur, niet meer
— dat heeft J. Woltjer óók gezegd. Hij poneert geen eigen beweringen. Wel moet
hij zijn interpretatie zuiver houden, en dan kan het voor hem heel belangrijk zijn te
weten, of werkelijk a = b. Om enkele essentiële zaken te noemen, hij moet be-
seffen en zo nodig duidelijk maken dat fatum en voorzienigheid hemelsbreed
verschillen; dat Plato's Eros niet is de liefde van het Nieuwe Testament en dat men
Plato dus niet moet christianiseren (omgekeerd natuurlijk evenmin antithesen in
hem projecteren); dat Stoa en Christendom lijnrecht tegenover elkaar staan.
Grosso modo mag men zeggen dat onze sectie gedurende de afgelopen honderd
jaren de geboden onderscheidingen gemaakt en zorgvuldig in het oog gehouden
heeft. Maar men dient er onmiddellijk aan toe te voegen dat dit stellig ook elders
gebeurd is. Misschien niet overal — maar ook op essentiële punten is zuiverheid
van interpretatie niet een monopolie van Christenen.
Woltjer en Sizoo hebben een aantal punten genoemd waarop volgens hen de
„beginselen" het onderzoek van de klassieke filoloog moeten en kunnen leiden.
Het zijn:
1. De oorsprong van de taal. De filoloog zal hierover stellig geen woord kunnen en
330
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 januari 1980
Publicaties VU-geschiedenis | 602 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 januari 1980
Publicaties VU-geschiedenis | 602 Pagina's