Wetenschap en rekenschap - pagina 501
Een eeuw wetenschapsbeoefening en wetenschapsbeschouwing aan de Vrije Universiteit 1880-1980
DE P SYCHOLOGIE AAN DE VRIJE UNIVERSITEIT
Stand kwam die niet naspeurbaar was, bijv. via de intuïtie van de psycholoog of via
een analyse van het handschrift, dan was daarover ook geen enkele discussie
mogelijk. Vandaar dat hij stelde dat het de plicht van de psycholoog was om
„waarlijk em.pirischwetenschappelijk" te werk te gaan, d.w.z. zijn werk „open te
houden voor controle of critiek van andere ter zake kundigen. Voor zover hij
nieuwe technische begrippen invoert, doet hij dit door middel van expliciete of
impliciete definities, die het mogelijk maken in afzonderlijke, practische gevallen
over de aldanniettoepasselijkheid van het begrip te beslissen op grond van
objectiefwaarneembare (toetsbare) criteria. In het algemeen ligt het in zijn lijn
experimenteel te zijn ingesteld; hij wil zich blootgeven, de toets der empirie wagen,
de kans op weerlegging niet vermijden maar veeleer zoeken" (1949, p. 467; 1950,
p. 468).
Kortom, wat zich vanaf de jaren vijftig in de psychologie gaat afspelen betreft met
alleen een uitbreiding in de breedte, maar ook en vooral een bezinning op de
grenzen en mogelijkheden van deze discipline. Hoewel de kennismaking via het
Fullbnght uitwisselingsprogramma met de Amerikaanse psychologie, die sedert
de jaren dertig een uitgesproken empirischexperimenteel karakter had en we
tenschapstheoretisch grondig onderbouwd was, zeker tot deze bezinning bijge
dragen heeft, toch vond zij haar wortels in het toenemende besef dat de psycho
loog zijn uitspraken en adviezen tegenover het — overigens ook kritischer wor
dende — publiek moest kunnen rechtvaardigen. Of, om het in P opper's termen te
formuleren, dat het wetenschappelijk gehalte van (psychologische) uitspraken niet
afhangt van de wijze waarop deze ontstaan zijn (de „context of discovery") en ook
niet bepaald wordt door het subjectieve gevoel van zekerheid dat zij wellicht
oproepen, maar louter en alleen door de mate waarin zij een confrontatie met de
empirie overleven (de „context of justification"). Het was dit inzicht dat vanaf het
eind van de jaren vijftig in de psychologie doordrong en verantwoordelijk was
voor het gegeven dat men in de jaren zestig een sterke nadruk ging leggen op de
toetsbaarheid en daadwerkelijke empirische rechtvaardiging van psychologische
uitspraken.
Voorwetenschappelijke en wetenschappelijke psychologie
Welk effect oefende deze koerswijziging uit op de psychologiebeoefening aan de
VU, zeker gezien de implicaties van het zojuist genoemde onderscheid tussen de
„context of discovery" en de „context of justification"? Want dit houdt niet alleen
in dat de psycholoog zijn uitspraken niet kan rechtvaardigen met een beroep op
zijn eigen gevoelens van evidentie, maar ook dat hij deze al evenmin kan recht
vaardigen met een beroep op zijn levensbeschouwing of zijn mensvisie. Wat in het
onderscheid gestipuleerd wordt is dat ongeacht de weg waarlangs de psycholoog
tot zijn uitspraken komt, hij deze slechts kan rechtvaardigen via een confrontatie
met de empirie in de vorm van intersubjectief aanvaarde observatieuitspraken.
495
^ks^MSf
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 januari 1980
Publicaties VU-geschiedenis | 602 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 januari 1980
Publicaties VU-geschiedenis | 602 Pagina's