Wetenschap en rekenschap - pagina 502
Een eeuw wetenschapsbeoefening en wetenschapsbeschouwing aan de Vrije Universiteit 1880-1980
C S A N D E R S / L K A EISENGA
Kortom, levensbeschouwing en mensvisie hebben wel een plaats in de psycholo-
gie, maar dan uitsluitend in de vóór-wetenschappelijke of hypothese-vormende
fase daarvan.
In het algemeen kan gesteld worden dat de diverse opvolgers van Waterink en Van
der Horst — wiens inzichten hier niet besproken zijn omdat deze slechts zijdelings
op de psychologie betrekking hadden — met dit standpunt meegingen, als gevolg
waarvan in de jaren zestig het vraagstuk van psychologie en religie op de achter-
grond raakte. Dit betekende niet dat men dit probleem niet langer van belang
achtte, maar wel dat het zijn dwingend karakter verloor dat het bij Waterink
bezeten had, en via bovenstaande methodologische zienswijze binnen het weten-
schappelijk bedrijf als zodanig als geneutraliseerd beschouwd kon worden. Een
eerste illustratie daarvan vormt het feit dat Wijngaarden en Sanders niet langer
spraken van het probleem van psychologie en religie, maar van psychologie en
geloof Daarmee gingen zij terug naar de lijn van Bavinck, waarin de psychologie
een zelfstandige plaats had naast de religie en het geloof gezien werd als een
persoonlijke levensovertuiging.
Een tweede illustratie van deze koerswijziging kan men vinden in de overwegingen
achter de instelling voor een afzonderlijke leerstoel voor dé theoretische psycho-
logie en geschiedenis van de psychologie in 1961, waarvoor Sanders benoemd
werd. Waterink had sterk aangedrongen op een dergelijke ook thans nog unieke
leerstoel, omdat daarin naar zijn mening de beoefening van de psychologie op
calvinistische grondslag gewaarborgd zou blijven: op theoretisch vlak door het
ontwikkelen van uitgangspunten voor de psychologie, op historisch vlak door een
studie van de geschiedenis van de psychologie omdat deze goeddeels bestond uit
wijsgerige opvattingen over de mens en het menselijk kennen. Hoewel de toen
aanwezige docenten met dit voorstel instemden, deden zij dit toch vanuit heel
andere overwegingen dan Waterink. Fokkema dacht hierbij b.v. aan de in 1950
door de Amerikaan Sigmund Koch gelanceerde term „theoretische psychologie"
als naam voor het doordenken van o.a. de wetenschaps-theoretische grondslagen
van de psychologie. Deze interpretatie van de term theoretische psychologie was
uiteraard totaal verschillend van die van Waterink, omdat daarin iedere verwij-
zing naar een levensbeschouwelijke fundering van de psychologie ontbrak en
uitgesproken werd dat de psychologie tewerk moest gaan langs algemeen aan-
vaarde methodische lijnen. Voor andere docenten, zoals Wijngaarden, had de
term theoretische psychologie ook de betekenis van vakfilosofie, waarin niet alleen
een wijsgerige bezinning kon plaatsvinden op de diverse psychologische stromin-
gen, maar ook een overzicht geboden kon worden van de wijsbegeerte dat veel
meer dan tot die tijd het geval geweest was aansloot op de gang van zaken in de
psychologie zelf Hoewel deze interpretatie wel paste bij die van Waterink, lag er
toch onmiskenbaar een sterker accent in op de psychologie dan op de levensbe-
schouwing.
Een derde illustratie van de bovengenoemde koerswijziging vormt Fokkema's
stellingname tegenover Wijngaarden's opvattingen over de rol van levensbe-
496
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 januari 1980
Publicaties VU-geschiedenis | 602 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 januari 1980
Publicaties VU-geschiedenis | 602 Pagina's