Wetenschap en rekenschap - pagina 269
Een eeuw wetenschapsbeoefening en wetenschapsbeschouwing aan de Vrije Universiteit 1880-1980
BIOLOGIE
2.2. De biologische evolutie-theorie
Wanneer Kuyper hier en daar (de rede is niet erg systematisch opgezet) de meer
vakwetenschappelijke aspecten van het evolutie-vraagstuk bespreekt is zijn toon
heel wat milder. Een korte weergave van Kuyper's behandeling hiervan en van een
aantal door de voorstanders van de evolutie-theorie aangevoerde argumenten kan
dit verduidelijken. Daarbij valt dan tevens op hoe schaars en zwak inderdaad aan
het eind van de vorige eeuw deze argumenten waren en hoe sterk kennis en inzicht
sindsdien zijn toegenomen.
2.2.1. Een eerste punt betreft het veronderstelde oorspronkelijke ontstaan van het
eerste leven vanuit levenloze materie. „Naegeli, anders een veel bezonnener den-
ker dan Haeckel, liet het niet onduidelijk doorschemeren, toen hij van de ,Urzeu-
g u n g ' . . . schreef: ,Die Urzeugung leugnen heisst das Wunder verkunden' "."
Kuyper voegt hieraan toe: „Toch versta men deze afschuw van het wonder niet
uitsluitend in gemeen-atheïstische zin. De drang naar wetenschap kan niet tot rust
komen in de kennis van het enkele. Alle wetenschap wordt verteerd door de
hartstocht naar het algemene".''' Aan een bevredigend inzicht in de eenheid van de
natuur, ook in haar ontstaanswijze, ontbrak het vóór de opkomst van de evolu-
tie-gedachte „en ook de gangbare voorsteUing onder het publiek stelde zich te-
vreden met een mystiek-toverachtig idee van het ontstaan der dingen, waaraan
alle diepere opvatting ontbrak. En dit juist heeft zich gewroken . . . Voeg hierbij nu
de weerzin, die in wetenschappelijke kringen tegen het oppervlakkig wanbegrip
van het wortelloze supranaturalisme al sterker toornde als ook de irreligieuze
neiging, die in het ontkomen aan de klem van de Goddelijke actie emancipa-
tie-vreugde vond, en beide, zo de aandrift, waaruit de Evolutie opkwam, als het
doel, dat ze beoogde, worden U doorzichtig".''' Maar t.a.v. de ,Urzeugung' heeft de
wetenschap nog geen enkel positief resultaat geboekt: „De Evolutie-theorie, het
spreekt van zelf, kan niet uitgaan van een geschapen groep Moneren, waaruit door
Selectie allengs cytoden en kerncellen als protisten, en wat uit deze allengs is
opgebouwd, voortkwamen. Dan toch bleef het uitgangspunt een wonder, en de
kloof tussen de anorganische en de organische wereld absoluut. Ze moet dus
stellen dat de Moneren uit eiwitachtige koolstofverbindingen chemisch ontstaan
zijn, of wilt ge dat chemisch het leven opkwam uit het levenloze. Talloos zijn dan
ook de pogingen die zijn aangewend, om die vondst aller vondsten aan het licht te
brengen, maar zonder onderscheid zijn ze op een jammerlijk fiasco uitgelopen,
zodat nog aldoor het fundament aan heel de bouw ontbreken blijft".'"'
2.2.2. Een tweede punt snijdt Kuyper aan wanneer hij zijn hoorders er op wijst dat
de evolutionisten soms geneigd zijn om feiten „niet alleen te constateren, maar ook
philosophisch te construeren. Zo, om mij tot dit ene, waarlijk niet van gewicht
ontblote, dusgenaamde feit te bepalen, hetwelk door geen minder dan Haeckel
aldus is geformuleerd: ,So steht es heute unzweifelhaft fest: Der Mensch stammt
vom Affen ab'. Is nu dit beweerde feit geconstateerd? Dat niet. Haeckel zelf
265
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 januari 1980
Publicaties VU-geschiedenis | 602 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 januari 1980
Publicaties VU-geschiedenis | 602 Pagina's