De Vrije Universiteit na Kuyper - pagina 260
De Vrije Universiteit van 1905 tot 1955, een halve eeuw geestesgeschiedenis van een civitas academica.
andere zijde van een bepaalde grens ligt. Bij Dooyeweerd was de
tijd die grens, zodat het transcendente bij hem het boven-tijdelijke
is, waarop de transcendentale vragen gericht zijn.
In dit hoofdstuk behandel ik de ontwikkeUng van Dooyeweerd
tussen 1937 en 1946 door eerst weer te geven, wat hij over het
boven-tijdelijke hart in zijn nota aan VU-curatoren schreef. Dan
volgt een nagaan van de drie transcendentale grondvragen in de
volgorde twee, één en drie. Tenslotte ga ik aan de hand van het
artikel over Kuyper's Wetenschapsleer nader in op het probleem van
de grondmotieven.
De nota, die Dooyeweerd op 12 oktober 1937 op hun verzoek aan
de VU-curatoren schreef, bevatte een opmerkelijke indeling. De
eerste 32 foliobladen gaven het standpunt van VoUenhoven en
Dooyeweerd samen weer en wat volgde was het specifieke
standpunt van Dooyeweerd. Omdat hij zich in deze nota expliciet
uitliet over zijn omstreden opvatting inzake het 'boven-tijdelijke
hart', neem ik de bladzijden 33 en 34 ervan over. Dooyeweerd
schreef daar:
Toen ik de critische beschouwingen van myn collega Hepp over de
vermeende "wetenschappelijke harttheorie" van de W.d.W. op myn beurt
aan een principieele critiek ging onderwerpen, begon ik opzettelyk met
de vraag, of aan het hart of de ziel des menschen in Schriftuurlyken zin
het praedicaat "boven-tydelyk" moet worden toegekend, voorloopig uit
te schakelen.
De reden van deze handelwyze gaf ik reeds hierboven aan. Deze
kwestie is in het onderhavig geschilpunt niet de voornaamste, niet de
primaire.
Dit wil echter allerminst zeggen, dat zy daarom van weinig belang zoude
zyn. Slechts kan ik my zeer goed begrypen, dat collega Hepp in de
opvatting, dat aan het religieuze centrum van 's menschen bestaan een
boven-tydelyk karakter toekomt, allerlei moeilykheden ontmoet. Ook
onder de aanhangers van de W.d.W. bestaat op dit punt, naar ik meen,
nog geen volkomen eenstemmigheid. Juist daarom heb ik met
byzondere belangstelling van de bezwaren van myn hooggeachten
ambtgenoot juist op dit punt kennis genomen.
Maar ik moet eerlyk bekennen, dat die kennismaking my heeft teleur
gesteld.
"Indien het hart of de ziel werkelyk boventydelyk was", aldus myn
collega op blz. 12 zyner nota, "dan was het reeds nu aan tydelyke
processen niet onderworpen. Waar is dan dat "hart"?"
254
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 januari 1987
Publicaties VU-geschiedenis | 460 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 januari 1987
Publicaties VU-geschiedenis | 460 Pagina's