De Vrije Universiteit na Kuyper - pagina 254
De Vrije Universiteit van 1905 tot 1955, een halve eeuw geestesgeschiedenis van een civitas academica.
De vraag wat er voor de ziel in deze conceptie 'overblijft', wanneer deze
term niet de analytische, ethische en pistische functie aanduidt, bewijst
duidelijk, dat de faculteit zich onder 'ziel' slechts theoretische abstracties
denken blijft. Immers voor wie in zijn wijsbegeerte niet van de functies,
maar van het hart uitgaat, heeft deze vraag geen zin: voor hem is de
ziel het centrum des levens, waaruit de beide uitgangen van dit leven -
die ten goede en ten kwade - zijn, zoodat alle functioneel leven daarin
religieus gecentreerd is. Als religieus wilscentrum in Schriftuurlijken zin
het aangrijpingspunt van Gods genade in de wedergeboorte en
uitgangspunt der bekeering van doode werken niet slechts in de
levenspractijk maar ook in de wetenschap, is het niet een abstractie uit
het tijdelijk bestaan, maar sluit het in zich de volle eenheid van
Godsbesef en zelfbewustzijn, en blijft het ook na den dood als
'inwendige mensch' met het besef van Christus dan wel buiten Hem te
zijn, voortbestaan.
Naar aanleiding van de bezwaren als zodanig, merkte VoUenhoven
op dat in de faculteit zelf verdeeldheid bestond op beide punten
van de kritiek. Het was bekend dat over de 'onpersoonlijke
menschelijke natuur' en de 'dichotomie' door Waterink en Hepp
zeer verschillend werd gedacht en gedoceerd. Deze verschillen, die
op belangrijke punten de scherpte van contradicties hadden, leidde
tot een negatieve frontvorming. VoUenhoven schreef verder:
De faculteit spreekt van confessioneele bezwaren, waar het verschillen
over dogmatische termen betreft, die noch in de HeiUge Schrift noch in
de confessie voorkomen, ja die de confessie blijkens de geschiedenis van
het dogma opzettelijk vermeed! Deze methode beteekent niet slechts
voor de behandeling van de aanhangige quaesties een geheel
noodelooze verscherping, maar bergt een verwarring van wetenschap en
dogma in zich, wier onderscheiding voor de Vrije Universiteit een
levensquaestie is, terwijl ze in de toekomst de waardeering van wat
werkelijk dogma is op een gevaarlijke wijze ondermijnt.
VoUenhoven besloot zijn brief met het volgende verzoek:
Na de verklaringen nu reeds drie jaren lang herhaaldelijk en ook nu
weer gegeven, hoop ik echter, dat Uw College hiermee, wat het
informatorische betreft, de zaak als afgedaan zal beschouwen en den
tijd gekomen zal achten om door pubUek eerherstel van Prof.
Dooyeweerd en mij voor Uw aandeel de bejegening, aan welke we nu
reeds jaren van zekere zijde bloot staan, openlijk te wraken.
248
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 januari 1987
Publicaties VU-geschiedenis | 460 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 januari 1987
Publicaties VU-geschiedenis | 460 Pagina's