De Vrije Universiteit na Kuyper - pagina 194
De Vrije Universiteit van 1905 tot 1955, een halve eeuw geestesgeschiedenis van een civitas academica.
Waterink zat met het probleem van de erfehjkheidsleer dat ook
geestelijke eigenschappen van de ouders worden geërfd. Dat paste
niet bij de ziel als een ondeelbare, onsterflijke, geestelijke eenheid,
die telkens bij of na de conceptie van een kind gecreëerd wordt.
Deze opvatting, volgens Waterink afkomstig van Aristoteles, was
ook de opvatting van A. Kuyper, H. Bavinck en A.G. Honig. Maar
het grote bezwaar ervan was, 'dat men op dat standpunt van
"erfelijke" psychische eigenschappen niet kan spreken', schreef
Waterink.
Deze probleemstelling bracht Waterink ertoe naast lichaam en
ziel een geest aan te nemen. Die geest was volgens hem de
onsterflijke ziel. Hij maakte een onderscheid tussen de lagere ziel
met erflijke eigenschappen en de geest als het hogere in de mens:
onsterfelijk, 'het beginsel voor het persoonlijke leven van den
individu' en 'het subject van het kennen en van het zelfbewustzijn'.
Waterink beriep zich voor zijn standpunt op Greydanus, A.
Kuyper en H. Bavinck. Van hen citeerde hij wat zij schreven over
de 'onpersoonUjke menschelijke natuur', die de Zone Gods had
aangenomen toen Hij mens werd. Kuyper had zelfs geschreven dat
het getal der mensen door Christus niet met één vermeerderd was.
Waterink concludeerde dat 'in het moment van de conceptie
geschapen wordt voor ieder individu de persoon, de kern van het
geestelijk zijn, datgene wat bij de natuur bij moet komen om een
individu, die de menscheüjke natuur deelachtig is, te doen ontstaan'.
Ziel is leven, meende hij, en geest of persoon is onsterfelijk 'ik'.
Deze 'wezenlijke structuur des menschen' behoorde tot de
hoofdhjnen van zijn 'Calvinistische zielkunde'. Waterink was zeker
van deze zaak, omdat hij zich op de belijdenis, de dogmatiek en de
Schrift beriep: 'Wie de onsterfeüjkheid, en dus het geschapen zijn
van den geest niet aanvaardt, is daarmede afgegaan van het
gereformeerde standpunt. Hij dient dat te erkennen, en de
gereformeerde belijdenis ten dezen te bestrijden - en niet ons in de
eerste plaats -. En omtrent de Christologie wenschen we geen
andere punten met nadruk te onderstrepen dan deze, dat (volgens
de dogmatiek, naar de Schrift) onze Heiland een onpersoonlijke
menschelijke natuur bezat.'
Wat het hogere IK betreft, kon Waterink zich inderdaad op A.
Kuyper beroepen. In de Bijbeluitgave van 1895, die hij met Bavinck
en Rutgers verzorgde, had Kuyper voorgesteld om een onderscheid
188
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 januari 1987
Publicaties VU-geschiedenis | 460 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 januari 1987
Publicaties VU-geschiedenis | 460 Pagina's