De Vrije Universiteit na Kuyper - pagina 262
De Vrije Universiteit van 1905 tot 1955, een halve eeuw geestesgeschiedenis van een civitas academica.
Dat 's menschen "ziel" in den Schriftuurlyken zin van rehgieus centrum
van het bestaan, eerst in den hemel, een wezenlyk boven-tydelyk
bestaan zou hebben, is m.i. een van de vele apodictische beweringen
van myn geachten ambtgenoot, die dringend om nadere argumentatie
vragen. Kan hy my uit de Schrift aantoonen, dat het menschelyk hart in
dit leven niet slechts in zyn tydelyke uitingen, maar ook in zyn eigen
karakter als religieus centrum, aan den tyd is onderworpen, dan zal ik
myn tegenwoordige opvatting ter zake onmiddellyk herzien. Want ik
heb my allerminst vastgelegd op dit punt.
Ik vrees echter zeer, dat dit bewys hem moeilyk zal vallen. In de door
my aangevoerde tekst Prediker 3:11 vindt myn hooggeachte ambtgenoot
geen argument voor de boven-tydelykheid van het hart. En ik geef hem
zonder voorbehoud toe, dat het aanhalen van één tekst nog geen
"Schriftbewys" mag heeten (als hoedanig het ook geenszins was
bedoeld!). Het kan inderdaad zyn, ofschoon het my in alle
bescheidenheid wil voorkomen, dat het woord "hart" hier moeilyk een
anderen zin kan hebben dan het "religieus levenscentrum".
Naar myn bescheiden meening behoort echter in het licht van de
geheele Schriftopenbaring i.z. de menschelyke natuur juist het bezitten
van een boven-tydelyken levenswortel, by gelyktydige onderworpenheid
van alle aardsche uitingen daarvan aan den tyd, mede tot het wezen van
den mensch, tot het "beeld Gods" in hem, waardoor hy maar niet
relatief, maar radicaal boven alle tydelyke dingen uitgaat. En zoo versta
ik ook Prediker 3:11. (Noot: Dit sluit natuurlyk allerminst uit, dat in 's
menschen hart een actueel gebeuren, als bv. zondeval en wedergeboorte
plaats grypt, en evenmin, dat het hart, evenals het lichaam geschapen is,
en dus niet van eeuwigheid bestaat.)
Ware inderdaad ook 's menschen hart een "tydelyk ding" onder andere
tydelyke dingen, dan zou dit hart ook bezwaarlyk van het boven-
tydelyke weet kunnen hebben. Om religieus besef te hebben van de
eeuwigheid moet men er in het diepst van zyn wezen deel aan hebben.
(Noot: Ik behoef natuurlyk myn collega niet nogmaals uitdrukkelyk te
zeggen, dat het hier niet gaat over "aeternitas", welke slechts aan God
toe komt, maar over het creatuurlyk aevum, de geschapen boven-
tydelykheid, al blyft ook ons denken steeds aan den tyd onderworpen.)
Dit geldt volstrekt niet alleen van de geloovigen, gelyk myn ambtgenoot
myn opvatting blykbaar tracht te interpreteeren, maar van ieder mensch
als zoodanig. Het eeuwigheidsbesef uit zich in den afval van God slechts
in afgodische richting. Men gaat zichzelve, d.i. het boventydelyk centrum
van zyn bestaan, tegelyk met zyn God, in het tydelyke zoeken. Zoo bv.
Aristoteles in zyn leer van den onsterfelyken en boven-tydelyken
substantieelen vorm des menschen (de "rede"). Ik heb dit punt uitvoerig
uiteengezet in Boek I, Dl. I van myn werk.
Er is dus geen sprake van, dat de W.d.W., gelyk myn ambtgenoot op
pag. 13 (bovenaan) van zyn nota suggereert, om consequent te zyn,
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 januari 1987
Publicaties VU-geschiedenis | 460 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 januari 1987
Publicaties VU-geschiedenis | 460 Pagina's