De Vrije Universiteit na Kuyper - pagina 264
De Vrije Universiteit van 1905 tot 1955, een halve eeuw geestesgeschiedenis van een civitas academica.
verbinding tussen het logische mzicht en de wetsknng van een
bepaalde vakwetenschap, een vraag voorafging.
In de dagelijkse ervaring bestaat de subject-object-relatie. De
mens als subject neemt het object waar en neemt daar kennis van
in zijn ervaring. Daarbij komen geen transcendentale vragen aan de
orde. Kant vereenzelvigde nu deze subject-object-relatie met de
theoretische Gegenstandsrelatie, dat is de relatie tussen het logische
inzicht en de wetskring van een bepaalde vakwetenschap. De eerste
transcendentale grondvraag was de vraag naar het verschil tussen de
subject-object-relatie van de dagelijkse ervaring en de
Gegenstandsrelatie van de vakwetenschap. In de wetenschap vroeg
men volgens Dooyeweerd niet naar een object, zoals dat in de tijd
bestaat, maar naar hetgeen daaraan blijvend is naar het gezichts-
punt van een vakwetenschap. Met andere woorden, de
wetenschappelijke kennisverwerving zet de tijd tussen haakjes door
te zoeken naar de wetmatigheid. In de dagelijkse ervaring ging het
om kennis van het object in de tijdelijke samenhang, in de
wetenschap ging het om vakwetenschappehjke kennis van het object
naar zijn onveranderlijke eigenschappen, om zekere en ware, altijd
geldende kennis te verkrijgen.
Maar als de wetenschappelijke kennisverwerving van de tijd
abstraheert, dan moet het Archimedisch punt niet alleen boven de
modaliteiten of wetskringen gezocht worden, maar ook zelf boven-
tijdelijk van aard zijn. Het mensenhart als het religieus
concentratiepunt van de mens werd ook daarom boven-modaal en
boven-tijdelijk genoemd. Het transcendentaal 'logische ik' van Kant
werd in de uiteenzetting van Dooyeweerd het boven-modale en
boven-tijdelijke hart, en daarmee werd het vermeend neutrale
uitgangspunt van de Vernunft of de Rede vervangen door het volop
menselijk religieus-bevooroordeelde Archimedische punt.
In datzelfde jaar, 1941, sprak Dooyeweerd reeds over drie
transcendentale grondvragen in samenhang met de vier religieuze
grondthema's.
Korte tijd na de Tweede Wereldoorlog, in januari en februari
1946, behandelde Dooyeweerd opnieuw de drie transcendentale
grondvragen, ditmaal in de Studium Generale colleges te Delft. Op
magistrale wijze behandelde hij toen, wat hij 'de enige toegangs-
poort tot de verdere onderdelen van de Wijsbegeerte der Wetsidee'
zou gaan noemen. De derde transcendentale vraag luidde toen:
258
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 januari 1987
Publicaties VU-geschiedenis | 460 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 januari 1987
Publicaties VU-geschiedenis | 460 Pagina's