De Vrije Universiteit na Kuyper - pagina 212
De Vrije Universiteit van 1905 tot 1955, een halve eeuw geestesgeschiedenis van een civitas academica.
moet raken en niet in bloot-theoretische beschouwingen kan worden
omzeild'
Dooyeweerd stootte na deze inleiding door naar 'het dialectische
grondmotief in de Zwitsersche theologie', en wel met behulp van
twee theologische dissertaties, 'het opmerkelijke proefschrift' van
Schilder en 'de voortreffelijke dissertatie' van Berkouwer.
Tot 1935 had Dooyeweerd vooral de geschiedenis van de
humanistische wetsidee bestudeerd en daarnaast ook de
ontwikkeling van de christelijke wetsidee, waarbij hij bij Augustinus
was begonnen omdat hij de middeleeuwse theologie nog onder dat
gezichtspunt bezag. Vollenhoven had de periode van de oude
kerkvaders en de middeleeuwen als een periode van synthese
gezien, een synthese die door de Renaissance en het werk van
Calvijn ging wijken. Nu ging ook Dooyeweerd een derde type van
wetsidee ontwikkelen, zoals hij zei: 'Zulk een wetsidee kan van
Christelijk schriftuurlijke, of on-schriftuurlijke, onchristelijke
conceptie zijn. Zij kan ook trachten tusschen het ChristeUjk en het
niet-Christelijk uitgangspunt een synthese, een compromis te treffen.'
Dat derde type, dat van de synthese, was het onderwerp geweest
waarop Waterink in De Reformatie Janse zo hautain had
aangevallen, en daarna ook Vollenhoven.
De wetsbeschouwing van Brunner behoorde tot dit derde type
en het moest opvallen, zei Dooyeweerd, 'dat deze beschouwing van
wortel tot kroon is doortrokken van hetzelfde radicale dualisme, dat
wij als dialectisch grondmotief in de "Zwitsersche theologie" ontdek-
ken.'
Het ging in zijn rede erom de hoorders te bepalen bij het
bijbelse grondmotief met zijn radicale opvatting van de schepping,
zondeval en verlossing. Dooyeweerd zocht daarbij naar 'den
aanvang van de verschuiving van de Schriftuurhjke tegenstelling
tusschen zonde en verlossing naar het niet Schriftuurlijke schema
van natuur en genade.'
Het dualisme van natuur en genade behoorde bij de
werkelijkheidsbeschouwing waarbij de natuur het neutrale, algemene
gebied is waar bijvoorbeeld de wetenschap en de staat gezag
hebben, en de genade het hogere en heüige gebied is van het
geloof, de theologie en de kerk. Daarbij is het volle leven verdeeld
over een lager algemeen en hoger, rehgieus gebied. De rehgie
betreft dan niet radicaal heel het leven, maar alleen een deel, het
206
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 januari 1987
Publicaties VU-geschiedenis | 460 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 januari 1987
Publicaties VU-geschiedenis | 460 Pagina's