De Vrije Universiteit na Kuyper - pagina 174
De Vrije Universiteit van 1905 tot 1955, een halve eeuw geestesgeschiedenis van een civitas academica.
vakwetenschap van het gevoel geworden en was niet langer de
filosofie van het hogere in de mens.
Vollenhoven moest dus met zijn publikaties erg voorzichtig zijn.
Hij moest A. Janse afremmen, zo min mogelijk afwijken van zijn
zwager en voorkomen dat hij inzake de ziel in een kerkelijk conflict
terecht zou komen. Het werd een beleidszaak van Vollenhoven om
de verschillen met Dooyeweerd niet aan te scherpen en er zoveel
mogelijk over te zwijgen.
Terwijl Dooyeweerd zich persoonlijk betrokken gevoelde bij de
crisis van het humanistische denken, analyseerde Vollenhoven die
moderne stromingen door de historische verbanden ervan na te
speuren. Hij had geen behoefte aan een Archimedisch punt, een
diepste kern of wortel. Bij Vollenhoven ging het in de religie niet
om het boventijdelijke hart, omdat hij de grens tussen tijdelijk en
eeuwig niet wenste te transcenderen. Hij zag de religie als een
verbond van God, die soeverein zijn wetten aan zijn schepping stelt,
met de mens, die aan die wetten moet gehoorzamen. God
presenteert zich zelf in de schepping, met name in de persoon van
Jezus Christus, zodat een verbond als een 'wandelen met God'
mogelijk is. De mens behoeft niet zelf de tijd of de schepping te
transcenderen omdat Gods Geest in de schepping en herschepping
aanwezig is. De mens kan dat zelfs niet. Maar door Gods beloften
kan de mens wel in vertrouwen leven en sterven. God gaat met de
mens mee door de dood heen naar de opstanding tot het eeuwige
leven. De mens transcendeert niet de tijd, maar God openbaart iets
over de hemel en engelenwereld, die tot de schepping in de tijd
behoren. Daarom wilde VoUenhoven wel van hart als eenheid en
centrum van de mens spreken, maar niet van een boventijdelijke
kern. Het verschil tussen God en mens werd door de schepping
bepaald en door de wet aangegeven. God kon wel de Eeuwige
genoemd worden, maar het verschü tussen God en mens mocht niet
als het verschil tussen eeuwigheid en tijd gekenmerkt worden.
Immers, sinds de schepping ging God in de tijd met de mensheid
mee tot in eeuwigheid. Niet in 'de eeuwigheid', want de eeuwigheid
bestaat niet, maar wel voor altijd en immer. Tijd en schepping gaan
in deze opvatting nimmer voorbij en God gaat in de tijd met de
mens voor altijd samen verder op weg. Dat zat impliciet in de
opvatting van Vollenhoven, die zich hierover slechts summier uitliet.
168
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 januari 1987
Publicaties VU-geschiedenis | 460 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 januari 1987
Publicaties VU-geschiedenis | 460 Pagina's