Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

Bekijk het origineel

De Vrije Universiteit na Kuyper - pagina 187

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

De Vrije Universiteit na Kuyper - pagina 187

De Vrije Universiteit van 1905 tot 1955, een halve eeuw geestesgeschiedenis van een civitas academica.

2 minuten leestijd

waarna de geschiedenis en de tijd opgenomen worden in de

eeuwigheid.

Terwijl het Nieuwe Testament er alle nadruk op legt dat in de

opstanding het verderf, de zonde en de vergankelijkheid worden

weggedaan en zelfs de dood en het dodenrijk in de poel des vuurs

geworpen worden, zodat ze nooit meer gevonden worden, leerde

Schilder dat in de hemel en de hel de tijd, de veranderlijkheid, de

geschiedenis, de vegetatie en de sexualiteit ophouden. Hij legde

daarmee andere accenten, dan we veelal in de bijbel vinden.

In de eeuwigheid vinden we volgens Schilder, in navolging van

de laat-Romeinse wijsgeer Boëthius, het perfectum praesens, 'een

handeling, die altijd vol is, en nimmer afgeloopen, altijd tegenwoor-

dig is'. De hel heeft na het eindpunt van de tijd evenals de hemel

'geen toekomst meer'. De hel wordt dan volgens Schilder 'niet meer

tot het kosmisch geheel gerekend', maar blijft wel onderworpen aan

'de oer-verbanden van alle kosmisch bestaan'.

Tot die oer-verbanden rekende hij niet de tijd, geschiedenis en

de veranderlijkheid. Bij hem vinden we in de hemel en de hel niet

veel meer dan ruimtelijkheid, individualiteit en eeuwigheid, terwijl

het grote verschil wordt aangegeven met gemeenschap in de hemel

en het bewustzijn van het ontbreken daarvan in de hel: 'Het eenige,

dat rest, is: eeuwige wederkeer van wat in ieders grond aanwezig is,

en eeuwige uit-keer tot de mee-gecongregeerden, in een eeuwige

coetus-van-leven in den hemel, of in een onmacht daartoe in de

hel.'

Van wat de eeuwigheid inhoudt, had Schilder zich met behulp

van Boëthius een begrip gevormd: het perfectum praesens, de

voltooide tegenwoordige tijd. Hij schreef:

Het is in de eeuwigheid, bij God mogelijk, te spreken van een

"perfectum praesens", een handeling, die altijd vol is, en nimmer

afgeloopen, altijd tegenwoordig is. Van menschen in den tijd kan men

het nooit zoo zeggen: een voltooid kennen (perfectum), dat toch altijd

levend konkreet doorgaat (praesens) in die volkomenheid. Want de

Geest, d.w.z. God, heeft eeuwig werk aan het kennen van God. De

Oneindige houdt eindeloos zich zelf bezig met zich zelf, met het

doorschouwen van zich zelf.

Op de vraag naar de hemel citeerde Schilder Paulus' eerste brief

aan Corinthe, hoofdstuk 2 vers 9: 'Wat geen oog heeft gezien en

geen oor heeft gehoord en in geen mensenhart is opgekomen, al

181

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 januari 1987

Publicaties VU-geschiedenis | 460 Pagina's

De Vrije Universiteit na Kuyper - pagina 187

Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 januari 1987

Publicaties VU-geschiedenis | 460 Pagina's