Dr. Abraham Kuyper en de Vrije Universiteit - pagina 303
'Voorts Iaat ik nog iets geheel onbeantwoord, nl. de concrete op-
merkingen over de bestaande Vrije Universiteit te Amsterdam. Ik
weiger beslist, mij op dien weg te laten lokken. Dit voorstel is niet
in de pen gegeven om maatregelen te nemen ten gerieve van eene
bepaalde Universiteit. Het schept gemeen recht en erkent niet het
bestaan van de eene of andere Universiteit hier te lande, maar
raakt een wereldprobleem, dat aan de orde is in bijna alle be-
schaafde landen, zoowel in Europa als in Amerika, en dat daarom
vooral zoo groot van beteekenis is, omdat het, hoewel hier in
quaestie, niet nu pas uitgevonden of uitgedacht is, maar het gehee-
le verleden doortrekt. Wat beteekent het dan, of men tegen een
dergelijk voorstel, als hier is ingediend, opkomt met eene critiek
op ééne bestaande Universiteit?
Verraadt dit eigenlijk wel iets anders, dan dat men het voorstel
zelf niet behoorlijk kan aanvallen en daarom afleiding zoekt in
critiek op eene bestaande instelling, die alle welwillendheid mist?'
De uiteindelijke stemming bewees echter dat het in het Parlement om
de VU ging. En Kuyper had dat voor een deel toegegeven, toen hij zei:
'De Rijks-universiteiten zijn niet in het geding want zij worden
met geen vinger aangeroerd; haar inkomsten, haar eer, haar in-
vloed, haar autonoom karakter, kortom alles wat zij hebben,
wordt haar gelaten. Er wordt niets anders gevraagd, dan dat aan
andere groepen in het land, die uit heilige overtuiging iets anders
willen, de gelegenheid zal worden gegeven om te kunnen opko-
men. En zegt dan de afgevaardigde uit Zutphen, dat, als dit ge-
schiedt, als men aan die wetenschappelijke groep, die de Christe-
lijke overtuiging op wetenschappelijk gebied wil verdedigen, dit
kleine recht wil geven, dit een ramp zou zijn voor het land en een
verderf voor het volk, dan Mijnheer de Voorzitter, accepteer ik
dit, want dan is daarmede uitgesproken, voor zoover ik dien
geachten afgevaardigde niet alleen als chef de file, maar ook als
porte parole van de Linkerzijde mag beschouwen, dat de Linker-
zijde het een ramp acht voor het land en het verderfelijk voor het
volk noemt, indien de Christelijke levensovertuiging zich beter
dan tot dusver op wetenschappelijk gebied zal kunnen handha-
ven.'
Nadat het wetsontwerp in de Tweede Kamer was aangenomen, was het
woord aan de Eerste Kamer. Deze verwierp de wet, waarop Kuyper een
ongehoorde daad stelde. Hij zond met instemming van Kabinet en Ko-
297
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 januari 1987
Publicaties VU-geschiedenis | 374 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 januari 1987
Publicaties VU-geschiedenis | 374 Pagina's